Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn voormalige echtgenoten die in geschil zijn over de eigendom van een Peugeot 107. De auto stond op naam van de geïntimeerde, maar de factuur was gericht aan een BV waarvan appellant enig aandeelhouder was. Na feitelijke scheiding in 2012 en inschrijving van de echtscheiding in 2014, nam appellant de auto in 2017 mee met reservesleutels.
De voorzieningenrechter veroordeelde appellant tot afgifte van de auto aan geïntimeerde, maar wees zijn reconventionele vorderingen af. In hoger beroep vordert appellant vernietiging van dit vonnis en toewijzing van zijn eigen vorderingen tot afgifte van de auto en gerelateerde zaken.
Het hof oordeelt dat appellant geen persoonlijk recht op de auto heeft omdat deze niet op zijn naam staat en de BV inmiddels is opgeheven. Geïntimeerde heeft de auto jarenlang als enige gebruikt, de lasten betaald en de auto stond op haar naam. Op grond van verkeersopvatting en de wettelijke bepalingen wordt zij vermoed eigenaar en bezitter te zijn. De grieven van appellant falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, waarbij de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af, waarbij de auto bij geïntimeerde blijft.