Uitspraak
wonende te [C] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak ging het om hoger beroep tegen beslissingen van de kantonrechter Rotterdam waarbij het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor administratieve sancties en administratiekosten conform artikel 11, derde lid, van de WAHV.
Betrokkene had geprobeerd het bedrag via internetbankieren over te maken, wat mislukte. Vervolgens bracht hij contant geld naar de rechtbank, maar dit werd niet geaccepteerd omdat de wet geen contante betaling bij de griffie toestaat. Het hof oordeelde dat het tijdstip van bijschrijving op de rekening van het CJIB bepalend is voor tijdige zekerheidstelling, en dat betrokkene in verzuim was omdat hij na de mislukte overschrijving geen contact met zijn bank had opgenomen.
De klacht dat betrokkene niet voor een vervolgzitting was opgeroepen werd verworpen, omdat de wet het mogelijk maakt om te beslissen zonder betrokkene te horen bij niet tijdige zekerheidstelling. Het hof bevestigde de beslissingen van de kantonrechter en kon daardoor niet inhoudelijk ingaan op de bezwaren tegen de sancties.
Uitkomst: Het hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid conform artikel 11 WAHV.