Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Na het overlijden van de moeder in 2014 verbleef de minderjarige in Litouwen bij haar tante, die het gezag over haar heeft gekregen via Litouwse rechtbanken. De vader, belast met eenhoofdig gezag, verzocht de Nederlandse rechter om teruggeleiding van het kind naar Nederland en bevestiging van zijn gezag en hoofdverblijfplaats in Nederland.
De Nederlandse rechtbanken verklaarden zich onbevoegd om over de verzoeken tot teruggeleiding te beslissen, maar wezen de overige verzoeken af. In hoger beroep betwistten partijen het gezag en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De vader wilde het gezag en hoofdverblijf in Nederland handhaven, terwijl de tante stelde dat de minderjarige inmiddels haar gewone verblijfplaats in Litouwen heeft.
Het hof oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige sinds het overlijden van de moeder in Litouwen is gevestigd, waar het kind is geworteld in het gezin van de tante, naar school gaat en sociale contacten onderhoudt. Gezien het belang van het kind acht het hof de Litouwse rechter beter geplaatst om het gezagsgeschil te beoordelen. Daarom is het hof voornemens de zaak naar Litouwen te verwijzen, mits partijen hiermee instemmen.
Uitkomst: Het hof is voornemens de zaak naar de Litouwse rechter te verwijzen en houdt de zaak aan in afwachting van instemming van partijen.