Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het geding in hoger beroep
2.De beoordeling
19 december 2017voor memorie van antwoord.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen sloten op 21 april 2016 een overeenkomst waarbij appellant haar aandeel in de eigendom van het paard aan geïntimeerde verkocht voor €13.500. In eerste aanleg wees de kantonrechter het merendeel van de vorderingen van geïntimeerde toe en wees de vorderingen van appellant af.
In hoger beroep wijzigde appellant haar eis door te stellen dat zij het paard in slechte staat van geïntimeerde had terugontvangen en vorderde zij schadevergoeding. Geïntimeerde verzette zich tegen deze eiswijziging omdat deze een andere grondslag betreft dan de oorspronkelijke vordering, wat volgens haar een ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat en onredelijke vertraging zou veroorzaken. Tevens stelde zij dat het ontbreken van een feitelijke instantie bij de beoordeling van de gewijzigde eis haar verdediging zou benadelen.
Het hof oordeelde dat de eiswijziging tijdig was ingediend bij de memorie van grieven en dat het hoger beroep ook dient om verbeteringen en aanvullingen op de oorspronkelijke procesvoering mogelijk te maken. De gewijzigde eis lag in het verlengde van het oorspronkelijke geschil en voorkwam een nieuwe bodemprocedure. Het ontbreken van een feitelijke instantie is inherent aan het wettelijke stelsel en vormt op zichzelf geen reden om de eiswijziging te weigeren. Ook was er geen sprake van onredelijke vertraging of bemoeilijking van de verdediging.
De bezwaren van geïntimeerde tegen de eiswijziging werden verworpen en de zaak werd verwezen naar de rol voor memorie van antwoord, zodat de procedure kan worden voortgezet.
Uitkomst: Eiswijziging in hoger beroep is toegestaan en bezwaren van geïntimeerde worden verworpen.