De verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en stelde een hogere straf vast.
Op 17 november 2016 bedreigde de verdachte een persoon door hem een voorwerp dat op een vuurwapen leek te tonen, vergezeld van dreigende woorden. De verdediging voerde vrijspraak aan vanwege onvoldoende bewijs en stelde dat het tonen van het voorwerp een daad van noodweer was, omdat de verdachte zich bedreigd voelde na een duw van het slachtoffer.
Het hof verwierp deze verweren, achtte de verklaringen van getuigen betrouwbaar en concludeerde dat het tonen van het vuurwapen gelijkend voorwerp disproportioneel was ten opzichte van de duw. De verdachte werd daarom schuldig bevonden aan bedreiging.
Gezien de aard van het feit en de persoon van de verdachte legde het hof een taakstraf van 240 uur op, het equivalent van een gevangenisstraf van vier maanden, waarbij rekening werd gehouden met de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht.
Het arrest werd op 10 november 2017 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.