Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De werknemer trad op 14 september 2015 in dienst bij de werkgever op basis van een nulurencontract zonder vaste arbeidsomvang. Na ziekmelding wegens knieklachten op 17 november 2015 werkte hij vanaf 25 november 2015 niet meer. De werkgever stopte met loonbetaling vanaf 1 december 2015. De werknemer vorderde loonbetaling over maart en april 2016, stellende dat er sprake was van een vast arbeidspatroon van 121,74 uur per maand.
De kantonrechter wees de loonvordering af en verklaarde voor recht dat partijen een arbeidsomvang van nul uren per week waren overeengekomen. In hoger beroep stelde de werknemer dat hij recht had op loon omdat hij volgens een vast patroon zou hebben doorgewerkt indien hij niet ziek was geworden. De werkgever betwistte dat er een vaste arbeidsomvang was en stelde dat de werknemer alleen recht had op loon indien hij daadwerkelijk was opgeroepen.
Het hof oordeelde dat de werknemer niet kon bewijzen dat er een vaste arbeidsomvang was afgesproken en dat hij ook geen beroep kon doen op het vermoeden van een bepaalde arbeidsomvang ingevolge artikel 7:610b BW, omdat hij nog geen drie maanden in dienst was. Het hof verwees naar de wetsgeschiedenis van de Wulbz die aangeeft dat bij oproepcontracten onzekerheid bestaat over werk en dat de Ziektewet als vangnetvoorziening kan dienen. Het hof concludeerde dat de werknemer geen recht had op loon tijdens ziekte zonder oproep en wees de loonvordering af. Wel werden de proceskosten gecompenseerd vanwege artikel 7:629a lid 6 BW.
Uitkomst: De loonvordering tijdens ziekte van de werknemer met nulurencontract zonder vaste arbeidsomvang wordt afgewezen.