De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning aan de [a-straat] 28 te [Z] voor het jaar 2016 vast op €311.000 per waardepeildatum 1 januari 2015. Belanghebbende maakte bezwaar en kwam in beroep tegen deze vaststelling, waarbij de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de waarde te hoog was vastgesteld.
Tijdens de zitting verscheen de heffingsambtenaar niet, hoewel deze correct was uitgenodigd. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin vergelijkbare woningen in de buurt als referentie werden gebruikt. De wijze van correctie van verkoopprijzen naar waardepeildatum werd echter onvoldoende toegelicht, waardoor het hof de waarde niet aannemelijk achtte.
Belanghebbende stelde een lagere waarde van circa €290.000 voor, maar bracht geen taxatierapport in. Het hof concludeerde dat geen van beide partijen de waarde voldoende aannemelijk had gemaakt en stelde de waarde in goede justitie vast op €300.000. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar werden vernietigd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.