In deze strafzaak stond de bevoegdheid van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden centraal om kennis te nemen van een ontnemingsvordering na een eerdere toewijzing door de rechtbank Leeuwarden, die als nevenzittingsplaats van de rechtbank Rotterdam fungeerde. De verdediging betwistte de bevoegdheid omdat de rechtbank Leeuwarden niet expliciet als nevenzittingsplaats was vermeld. Het hof oordeelde dat de rechtbank Leeuwarden bevoegd was op grond van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het accessoire karakter van de ontnemingsvordering.
De zaak betrof een veroordeelde die in eerste aanleg was veroordeeld voor mensenhandel gepleegd door meerdere personen. Het hof stelde vast dat de veroordeelde financieel voordeel had genoten uit de werkzaamheden van een prostituee, waarbij een kasboek en een telefoongesprek als bewijsmiddelen werden gebruikt. Uit het telefoongesprek bleek dat de prostituee wekelijks €5.000 aan de veroordeelde afdroeg. Het hof hanteerde deze gegevens, samen met een ontnemingsrapportage van een financieel rechercheur, om het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op €228.140.
De verdediging voerde aan dat de bewijsvoering onvoldoende was en dat het bedrag gematigd moest worden. Het hof verwierp deze bezwaren en stelde vast dat het kasboek vooral diende om de werkzaamheid te bevestigen, terwijl de ontnemingsrapportage betrouwbaarder was voor de berekening. De veroordeelde werd verplicht tot betaling aan de Staat van €218.000, waarbij het hof een vermindering toepaste wegens een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan vier jaar tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak.