Appellant, een tandartspraktijkhouder, werd door de Coöperatieve Tandartsenspoedzorg Fryslân U.A. aangesproken voor betaling van contributie. Het geschil betrof de vraag of appellant lid was geworden van de coöperatie en daarmee gehouden was tot contributiebetaling.
Het hof nam het standpunt van de kantonrechter over dat appellant zich zodanig heeft gedragen dat de coöperatie gerechtvaardigd mocht vertrouwen op zijn lidmaatschap. Dit bleek uit onder meer de betaling van een startbedrag, deelname aan algemene ledenvergaderingen, stemmingen en het uitdragen van standpunten zonder voorbehoud.
Appellant voerde aan dat hij slechts als praktijkhouder deelnam en dat zijn betaling een blijk van goede wil was, maar dit werd verworpen omdat geen voorbehoud of duidelijke verklaring was gegeven. Het hof oordeelde dat appellant geen beroep kon doen op het ontbreken van een wil tot lidmaatschap.
De contributie was toegewezen tot de datum van opzegging van het lidmaatschap per 31 december 2015. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.