In deze spoedprocedure ging het om de ontruiming van een woning die onderdeel was van een proefwonen-project van het Leger des Heils. De familie woonde in de woning onder de voorwaarde van zorgverlening, welke was beëindigd.
De familie stelde dat zij geen eerlijke kans hadden gekregen en dat het project gedoemd was te mislukken. Het Leger des Heils betwistte dit en stelde dat de familie overlast veroorzaakte en niet meer wilde meewerken aan het hulpverleningstraject. De familie beschikte tevens over een woning in Duitsland, waar een deel van hen verbleef.
Het hof oordeelde dat het Leger des Heils voldoende zorg had verleend en dat het spoedeisend belang bij ontruiming bestond vanwege het beëindigen van de zorg- en huurovereenkomst. De belangenafweging wees uit dat directe dakloosheid niet dreigde omdat er een woning in Duitsland beschikbaar was. De ontruimingstermijn werd gesteld op uiterlijk 21 januari 2019.
De kosten van het hoger beroep werden aan de familie opgelegd. Het vonnis van de voorzieningenrechter werd bekrachtigd.