Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin verdachte was veroordeeld voor medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. De advocaat-generaal had gevorderd tot vernietiging van het vonnis en een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk.
Tijdens de terechtzittingen op 22 januari en 30 november 2018 werd vastgesteld dat verdachte samen met medeverdachten naar de woning van het slachtoffer was gegaan en dat er een confrontatie plaatsvond waarbij het slachtoffer mishandeld zou zijn en met een bijtende spray in het gezicht was gespoten. Het slachtoffer verklaarde dat er een poging tot ontvoering was, maar kon geen concrete namen of bewijs leveren van de betrokkenheid van verdachte, noch wilde hij zijn bronnen of telefoongegevens verstrekken.
Het hof oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer onvoldoende geloofwaardig en betrouwbaar was om tot een bewezenverklaring te komen. Daarnaast ontbrak het dossier aan bewijs dat verdachte en medeverdachten daadwerkelijk het plan hadden om het slachtoffer te ontvoeren. Ook was niet vast te stellen dat verdachte de mishandeling had gepleegd of dat er sprake was van een nauwe samenwerking met medeverdachten voor medeplegen.
De schadevordering van het slachtoffer werd afgewezen omdat verdachte niet schuldig was bevonden. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf werd eveneens afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde.