Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
€ 3.148,-, bestaande uit een bedrag van € 2.768,- aan inkomsten van de vrouw en een bedrag van € 380,- aan inkomsten van de man) een huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.386,- niet onredelijk voorkomt en stelt de netto behoefte van de man vast op € 1.386,- per maand. De grieven 1 en 2 worden in zoverre verworpen.
Gelet op het voorgaande en op basis van de bij het hof beschikbare gegevens faalt de grief van de vrouw dat van een onjuist inkomen is uitgegaan doordat in de jaaropgave 2016 bij het fiscale loon ten onrechte rekening is gehouden met de personeelslening die de vrouw heeft bij haar werkgever, terwijl dit geen inkomen is. Het hof overweegt daarnaast nog het volgende. De vrouw heeft verzocht uit te gaan van het bruto maandsalaris zoals vermeld op de salarisstroken van januari en februari 2017, zonder het daarop opgenomen voordeel personeelslening, en daarbij het vakantiegeld en een dertiende maand op te tellen. Het hof wijst dit verzoek af, nu gelet op het voorgaande wel uitgegaan wordt van het fiscale loon inclusief de personeelslening. Nu er – bij het ontbreken van de jaaropgave 2017 – geen reden is om een ander inkomen te hanteren dan het door de rechtbank gehanteerde bruto jaarinkomen van € 53.860,- overeenkomstig de jaaropgaaf 2016 (immers, het fiscale loon van de salarisstroken van januari 2017 en februari 2017 inclusief dertiende maand en vakantiegeld komt nagenoeg overeen met eerdergenoemd bruto jaarinkomen van € 53.860,-) faalt de derde grief in zoverre.