ECLI:NL:GHARL:2018:1278

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 februari 2018
Publicatiedatum
8 februari 2018
Zaaknummer
WAHV 200.191.360
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig aanleveren gronden

De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene tegen een beslissing van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk omdat de gronden van het beroep niet tijdig en volledig waren aangevuld, ondanks een door de kantonrechter geboden termijn van vier weken.

De gemachtigde van betrokkene voerde in hoger beroep aan dat de gronden tijdig waren ingediend, namelijk op 28 maart 2016, terwijl de termijn tot 23 maart 2016 liep. Het hof oordeelde echter dat de termijn strikt moest worden gehanteerd en dat de gronden dus te laat waren aangeleverd. De kantonrechter had in een tussenbeslissing van 24 februari 2016 de gronden moeten ontvangen binnen vier weken na verzending op 3 maart 2016.

Het hof stelde vast dat de kantonrechter terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, ook al had deze eerder aangegeven dat het beroep ontvankelijk was omdat het tijdig was ingesteld en zekerheid was gesteld voor betaling van de sanctie. Dit oordeel betrof slechts de ontvankelijkheidsvereisten en stond niet in de weg aan de latere niet-ontvankelijkverklaring.

Het verzoek tot vergoeding van kosten werd afgewezen omdat betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het gerechtshof bevestigde daarmee de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek tot kostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig aanleveren van de gronden.

Uitspraak

WAHV 200.191.360
8 februari 2018
CJIB 187407333
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 22 april 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.
Op 6 juni 2016 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het beroep, ondanks het feit dat de gemachtigde daartoe door de kantonrechter bij tussenbeslissing van 24 februari 2016 in de gelegenheid was gesteld, te laat en onvolledig zijn aangevuld.
2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden niet tijdig zijn aangevuld. De kantonrechter heeft in zijn tussenbeslissing van 24 februari 2016 aangegeven dat de gronden binnen vier weken na heden zouden moeten zijn aangevuld. Deze beslissing is toegezonden op 3 maart 2016. De gronden moesten dus binnen vier weken na 3 maart 2016 binnen zijn. De gronden zijn op
28 maart 2016 bij de rechtbank ingekomen en dus tijdig aangevuld. Daarnaast heeft de kantonrechter in zijn tussenbeslissing reeds beslist dat het beroep ontvankelijk is. Het stond de kantonrechter niet vrij om op die beslissing terug te komen. Aldus heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
3. Het hof stelt vast dat het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 25 mei 2015 geen gronden van beroep bevat.
4. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter d.d. 24 februari 2016 houdt - voor zover van belang - het volgende in:
"Het beroep is ontvankelijk omdat het tijdig is ingesteld en er zekerheid is gesteld voor de betaling van de sanctie. (…)
De kantonrechter beslist als volgt: Houdt de behandeling van de zaak aan teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen binnen vier werken na heden de gronden van het beroep aan te vullen."
5. Uit de tussenbeslissing van de kantonrechter volgt dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om binnen een termijn van vier weken - gerekend vanaf de datum van die beslissing - de gronden van het beroep aan te vullen. Gelet daarop eindigde de termijn op 23 maart 2016. De omstandigheid dat het proces-verbaal waarin die tussenbeslissing is opgenomen pas op 3 maart 2016 naar de gemachtigde is toegezonden, maakt dit niet anders. Weliswaar is de gemachtigde daardoor feitelijk een termijn van 19 dagen geboden, maar deze termijn kan naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet als onredelijk worden beschouwd. Niet gesteld of gebleken is dat het voor de gemachtigde redelijkerwijs niet mogelijk was om binnen deze termijn gronden tegen de beslissing van de officier van justitie te formuleren.
6. Bij brief van 28 maart 2016, op diezelfde datum binnengekomen bij de rechtbank, heeft de gemachtigde gronden tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd. Nu de termijn eindigde op 23 maart 2016 is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de gronden niet tijdig zijn aangevuld.
7. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. De omstandigheid dat de kantonrechter in zijn tussenbeslissing van
24 februari 2016 heeft overwogen dat het beroep ontvankelijk is omdat het tijdig is ingesteld en er zekerheid is gesteld voor de betaling van de sanctie, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter hiermee slechts tot uitdrukking willen brengen dat aan de genoemde ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Aldus is de kantonrechter in zijn eindbeslissing niet teruggekomen op een in zijn tussenbeslissing gegeven oordeel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.