AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens rechtsmiddelenverbod bij ontslag van instantie
In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2017, waarin hij van instantie was ontslagen. De rechtbank had toepassing gegeven aan artikel 123 lid 2 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat bepaalt dat tegen een beslissing tot ontslag van instantie geen hoger beroep openstaat.
Het hof heeft onderzocht of het rechtsmiddelenverbod doorbroken kon worden door het aanvoeren van doorbrekingsgronden, zoals het onjuist toepassen van de regel, het buiten toepassingsgebied treden of het niet in acht nemen van essentiële vormen die een eerlijke behandeling waarborgen. Appellant heeft echter geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zich hierover uit te laten en heeft geen doorbrekingsgrond aangevoerd.
Daarom verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt het hof appellant in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat conform het liquidatietarief. Het arrest is op 20 februari 2018 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het rechtsmiddelenverbod bij ontslag van instantie en appellant is veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.228.885
(zaaknummer rechtbank 319255)
arrest van 20 februari 2018
in de zaak van
[appellant] (in het faillissement van [X] B.V.),
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. P.A. de Lange,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Flextra Teamwork West B.V.,
gevestigd te Barendrecht,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Flextra West,
advocaat: mr. J.A. Dullaart.
1.Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 augustus 2017 dat de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Zutphen, heeft gewezen.
2.Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 november 2017,
- de akte uitlating ontvankelijkheid van Flextra West.
2.2
[appellant] vordert in hoger beroep – kort samengevat – dat het hof het bestreden vonnis van 16 augustus 2017 zal vernietigen voor zover [appellant] daarbij van instantie is ontslagen en de proceskosten voor rekening van [appellant] zijn gelaten, en dat het hof opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Flextra West in haar vordering(en) alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van Flextra West in de kosten van beide instanties.
3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.1
De rechtbank Gelderland heeft bij vonnis van 16 augustus 2017 toepassing gegeven aan artikel 123 lid 2 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Op grond van het vijfde lid van deze bepaling staat tegen de beslissing tot ontslag van instantie geen hogere voorziening open.
3.2
Een wettelijk rechtsmiddelenverbod wordt doorbroken indien geklaagd wordt dat de rechter de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regel is getreden of bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Het beroep is ontvankelijk als één van deze zogenaamde ‘doorbrekingsgronden’ wordt aangevoerd.
3.3
[appellant] heeft van de gelegenheid om zich uit te laten over zijn ontvankelijkheid in het hoger beroep geen gebruik gemaakt en geen beroep gedaan op een doorbrekingsgrond. Derhalve staat het rechtsmiddelenverbod van artikel 123 lid 5 RvPro aan de ontvankelijkheid van [appellant] in de weg.
3.4
Het hof zal [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 1.952,- voor griffierecht en € 447,- (0,5 punt x tarief II) voor salaris advocaat conform het liquidatietarief. Het hof ziet geen aanleiding om van dit tarief af te wijken.
4.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 16 augustus 2017;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan de uitspraak aan de zijde van Flextra West begroot op € 1.952,- voor griffierecht en € 447,- (0,5 punt x tarief II) voor salaris advocaat conform het liquidatietarief;
verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeing-van Hees, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.