ECLI:NL:GHARL:2018:1957

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 maart 2018
Publicatiedatum
1 maart 2018
Zaaknummer
21-002089-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511i SvArt. 416 SvArt. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep ontnemingszaak wegens vrijspraak strafzaak

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld dat was ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de ontnemingszaak. De verdachte was in de strafzaak vrijgesproken, en zijn raadsman voerde aan dat dit ook gevolgen moest hebben voor de ontnemingszaak. Het hof heeft overwogen dat op grond van artikel 511i Sv de uitspraak in de ontnemingszaak vervalt wanneer de veroordeling in de strafzaak achterwege blijft.

Het hof heeft daarom toepassing gegeven aan artikel 416, tweede lid, Sv en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep van de ontnemingszaak. De vordering van het openbaar ministerie tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 5.496,68 werd niet inhoudelijk behandeld.

De uitspraak werd gedaan na onderzoek van de zaak op de terechtzitting van 15 februari 2018 en het hof heeft kennisgenomen van de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte. Het arrest is uitgesproken op 1 maart 2018 door de meervoudige kamer voor strafzaken.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep van de ontnemingszaak vanwege vrijspraak in de strafzaak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002089-17
Uitspraak d.d.: 1 maart 2018
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2017 met parketnummer 18-265232-16 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, er toe strekkende dat het bedrag waarop het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, wordt vastgesteld op € 5.496,68 en dat aan verdachte de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. J.M. van der Linden, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De raadsman heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat de reden van het hoger beroep gelegen is in het feit dat in de strafzaak van verdachte vrijspraak moet volgen. Daarom kan het onderhavige vonnis evenmin in stand blijven.
Naar het oordeel van het hof vormt dit geen reden voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Het hof wijst in dit verband op artikel 511i van het Wetboek van Strafvordering, op grond waarvan de uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van rechtswege vervalt doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.
Het hof ziet daarom in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. L.G. Wijma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,
en op 1 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.