Belanghebbende, geboren in 1973 en ontvanger van een Wajonguitkering, ontving in 2012 en 2013 vergoedingen voor deelname aan medicijnonderzoeken. De Inspecteur Belastingdienst rekende deze vergoedingen, na aftrek van reiskosten, tot het belastbare inkomen uit werk en woning als resultaat uit overige werkzaamheden.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de zitting was belanghebbende niet aanwezig, maar de Inspecteur werd vertegenwoordigd.
Het Hof oordeelde dat de vergoedingen terecht tot het belastbare inkomen worden gerekend, ook al kwalificeert het onderzoeksinstituut deze als studievergoedingen en ondanks dat belanghebbende geen activiteiten verrichtte. Het ter beschikking stellen van het lichaam voor proeven wordt gezien als een dienst en deelname aan het economische verkeer.
Verder stelde belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat proefpersonen in België niet werden belast, maar het Hof verwierp dit omdat het belastingverdrag bepaalt dat dergelijke inkomsten alleen in het woonland worden belast. Er was geen sprake van schending van beginselen van behoorlijk bestuur.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Proceskosten werden niet toegewezen.