ECLI:NL:GHARL:2018:2273
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Anjewierden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging kantonrechterbeslissing en afwijzing kostenvergoeding na overlijden betrokkene
In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen de beslissing van de kantonrechter Limburg betreffende het verzoek tot vergoeding van kosten in een administratief beroep. De betrokkene was overleden tijdens de procedure bij de officier van justitie, waarna de inleidende beschikking werd ingetrokken. De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de officier van justitie ten onrechte het verzoek tot kostenvergoeding had afgewezen, omdat de beschikking onrechtmatig zou zijn ingetrokken.
Het hof oordeelde dat de intrekking van de beschikking niet het gevolg was van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid, maar van het overlijden van de betrokkene. De officier van justitie was pas op 24 december 2013 op de hoogte van het overlijden, en had geen verplichting om dit eerder uit het GBA-register te achterhalen. Daarom was de afwijzing van het verzoek tot kostenvergoeding terecht.
Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter die ten onrechte had afgezien van een zitting en beoordeelde het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zelf. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van € 501,- wegens de procedure bij het hof.
De uitspraak benadrukt dat kostenvergoeding in administratief beroep alleen mogelijk is indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, wat hier niet het geval was.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot kostenvergoeding af en veroordeelt de advocaat-generaal tot betaling van € 501,- proceskosten.