Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de ondercuratelestelling van betrokkene centraal, waarbij zoon [verweerder] tot curator was benoemd door de kantonrechter. De dochter stelde hoger beroep in tegen zowel de noodzaak van ondercuratelestelling als de benoeming van de curator. Tijdens de procedure trok zij haar grief tegen de ondercuratelestelling in, zodat het geschil zich beperkte tot de vraag wie als curator moest worden benoemd.
Het hof oordeelde dat betrokkene vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand, waaronder vergevorderde dementie, aangewezen is op langdurige hulp en bescherming. De voorkeur van betrokkene gaat uit naar zoon [verweerder], die frequent contact heeft en goed op de hoogte is van zijn situatie. De dochter woont in Engeland en bezoekt betrokkene slechts sporadisch, waardoor zij minder geschikt wordt geacht als curator.
Ondanks ernstig verstoorde familieverhoudingen tussen de kinderen, vond het hof geen reden om een onafhankelijke derde als curator te benoemen. De vertrouwensband tussen betrokkene en zoon [verweerder] en de praktische bezwaren tegen een onbekende curator wegen zwaarder. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kantonrechter en compenseerde de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondercuratelestelling en benoeming van zoon tot curator en wijst het verzoek van de dochter af.