Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van de gedingen in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
3.De beslissing
27 maart 2018voor ambtshalve doorhaling;
27 maart 2018voor ambtshalve doorhaling.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak zijn twee procedures in hoger beroep gevoegd: een bodemprocedure en een kort geding. Het geschil betreft de toepassing van artikel 301 lid 2 en Pro lid 4 van de Faillissementswet (Fw) op een verklaringsprocedure en het gelegde derdenbeslag onder [appellante].
Het hof heeft vastgesteld dat de schuldsaneringsregeling van [Persoon 1], broer van [appellante], nog steeds van kracht is. Dit leidt ertoe dat alle executies die zijn aangevangen voor de datum van toepassing van de schuldsaneringsregeling, waaronder ook de verklaringsprocedure tegen de derde-beslagene, van rechtswege zijn geschorst. Dit geldt ook voor de bodemprocedure waarin [appellante] als derde-beslagene betrokken is.
Daarnaast is het gelegde derdenbeslag onder [appellante] vervallen met ingang van 25 oktober 2016, maar bestaat er een beperkte mogelijkheid tot herleving afhankelijk van de wijze waarop de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd. Gezien deze onzekerheid heeft het hof besloten de procedures te schorsen en ambtshalve door te halen met de mogelijkheid tot hervatting. De kort geding-procedure is eveneens geschorst en ambtshalve doorgehaald, in aansluiting op de bodemprocedure.
Uitkomst: De procedures worden geschorst en ambtshalve doorgehaald vanwege de lopende schuldsaneringsregeling en de schorsing van het gelegde derdenbeslag.