In 2001 sloot [appellant] een hypothecaire lening af bij Regiobank, bijgestaan door adviesbureau Deelshurk Assurantiën. De lening voldeed aan de toen geldende normen, waaronder de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF 2001) en de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Na werkloosheid en ziekte ontstonden betalingsachterstanden, waarna de woning in 2008 executoriaal werd verkocht en een restschuld resteerde.
[Appellant] stelde Regiobank aansprakelijk wegens schending van de precontractuele zorgplicht, stellende dat hij onvoldoende was gewaarschuwd voor het risico van inkomensdaling. De rechtbank wees de vorderingen af, en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat Regiobank destijds niet hoefde te waarschuwen voor inkomensrisico's die niet voorzienbaar waren en dat de adviseur Deelshurk Assurantiën optrad als adviseur van [appellant], niet als hulppersoon van Regiobank.
Daarnaast was de lening een relatief eenvoudig product met vaste rente en aflossing via een levensverzekering, waardoor de kredietnemer zelf het risico van inkomensdaling behoorde te onderkennen. Ook de overwerkvergoeding werd terecht als regulier inkomen beschouwd. De grieven van [appellant] werden verworpen en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2015 werd bekrachtigd.