ECLI:NL:GHARL:2018:3286

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 april 2018
Publicatiedatum
10 april 2018
Zaaknummer
WAHV 200.194.230
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Artikel 1, onderdeel f, onder 2, RVV 1990
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vernietigt sanctie vasthouden mobiele telefoon als rijinstructeur niet bestuurder

De betrokkene, een rijinstructeur, kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 14 augustus 2014. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. In hoger beroep stelde de betrokkene dat hij niet de feitelijke bestuurder was, maar als instructeur op de passagiersstoel zat, en ontkende het vasthouden van een mobiele telefoon.

Het hof bekeek de Nota van toelichting bij artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waaruit blijkt dat het verbod op het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden alleen geldt voor degene die daadwerkelijk het voertuig bestuurt. De rijinstructeur valt niet onder deze definitie als hij niet achter het stuur zit.

Op basis van het dossier en de toelichting concludeert het hof dat de betrokkene niet de feitelijke bestuurder was en daarom niet de gedraging heeft verricht. De beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking worden vernietigd. De klacht over de verwisseling van het navigatiesysteem met een mobiele telefoon behoeft geen bespreking meer.

Uitkomst: De sanctiebeschikking tegen de rijinstructeur wordt vernietigd omdat hij niet de feitelijke bestuurder was.

Uitspraak

WAHV 200.194.230
10 april 2018
CJIB 185594466
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank [A]
van 12 mei 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 14 augustus 2014 om 10:40 uur op de Amstelveenseweg te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De betrokkene voert onder meer aan dat hij niet de feitelijke bestuurder van het voertuig was, maar als rij-instructeur op de passagiersstoel zat. De betrokkene ontkent daarnaast een mobiele telefoon te hebben vastgehouden. De verbalisant heeft zijn navigatiesysteem ten onrechte aangezien voor mobiele telefoon. Ter onderbouwing hiervan heeft de betrokkene eerder in de procedure verklaringen van twee leerlingen overgelegd.
3. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. (…)
Er was sprake van rijden onder toezicht. Op het moment van constatering reed het voertuig het Haarlemmermeercircuit op. Bij de v.o.p. (het hof leest: voetgangsoversteekplaats) 2 aanstalten maken (het hof leest: maakten twee voetgangers aanstalten om over te steken). Deze kregen geen vrije doorgang v.d. (het hof leest: van de) feitelijke bestuurder. Hiervoor betrokkene gewaarschuwd.”
4. In artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is bepaald dat het degene die een motorvoertuig, bromfiets of invalidenvoertuig bestuurt verboden is tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.
5. De Nota van toelichting bij het Besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verbod handmatig telefoneren), Stb. 2002, 67, houdt - voor zover hier van belang - onder meer in:
“Artikel 61a van het RVV 1990 richt zich tot degene die een motorvoertuig, invalidenvoertuig of bromfiets bestuurt. Bestuurders die vallen onder het begrip degene die een motorvoertuig bestuurt, zijn bijvoorbeeld automobilisten, vrachtwagen- en buschauffeurs en motorrijders. Het gaat daarbij bovendien om degene die daadwerkelijk achter het stuur zit, de feitelijke bestuurder. Het verbod strekt zich dus niet uit tot de rij-instructeur die wordt geacht onder zijn onmiddellijk toezicht een motorvoertuig te besturen. Dit komt tot uitdrukking door het gebruik van het begrip «degene die een motorvoertuig bestuurt» in plaats van de term bestuurder. Onder het begrip bestuurder valt immers ingevolge artikel 1, onderdeel f, onder 2, RVV 1990 ook de rij-instructeur”.
6. Op grond van het dossier stelt het hof vast dat de betrokkene ten tijde van de gedraging niet de feitelijke bestuurder van het voertuig was, maar de rij-instructeur onder wiens toezicht het motorvoertuig werd bestuurd. Gelet op de Nota van toelichting kan de betrokkene niet worden aangemerkt als 'degene die het motorvoertuig bestuurde' in de zin van artikel 61a RVV 1990. Het hof is dan ook van oordeel dat de betrokkene de gedraging niet heeft verricht.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Gelet hierop behoeft de klacht van de betrokkene dat de verbalisant zijn navigatiesysteem ten onrechte heeft aangezien voor mobiele telefoon geen bespreking meer.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 9 februari 2015, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 185594466 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.