ECLI:NL:GHARL:2018:3402
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Van Schuijlenburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring administratief beroep wegens ontbrekende machtiging
In deze zaak stelde [A] administratief beroep in tegen een inleidende beschikking van de officier van justitie. De officier van justitie verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een geldige schriftelijke machtiging. Vervolgens verklaarde de kantonrechter het beroep eveneens niet-ontvankelijk omdat de machtiging niet aan de eisen voldeed en het verzuim niet binnen de gestelde termijn was hersteld.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte een schriftelijke machtiging kon verlangen van degene die administratief beroep had ingesteld, conform artikel 9, eerste lid, van de Wahv. Daarom vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde het zelf het beroep tegen de officier van justitie.
Het hof stelde vast dat de officier van justitie terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard omdat er gerechtvaardigde twijfel bestond over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] en dat de gevraagde machtiging niet binnen de gestelde termijn was overgelegd. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat niet was gebleken dat aan een derde beroepsmatige rechtsbijstand was verleend.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep tegen de officier van justitie ongegrond wegens ontbreken van een geldige machtiging en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.