ECLI:NL:GHARL:2018:3486

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2018
Publicatiedatum
16 april 2018
Zaaknummer
WAHV 200.221.379
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
  • Van Schuijlenburg
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 lid 1 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontvankelijkheid beroep en zekerheidstelling bij taalbarrière in Wahv-procedure

De betrokkene, woonachtig in Polen en vermoedelijk onvoldoende beheersend van de Nederlandse taal, stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens te late indiening en het niet stellen van zekerheid.

Het hof oordeelt dat mededelingen over wettelijke termijnen en vereisten, zoals het instellen van beroep en het stellen van zekerheid, aan een betrokkene in een taal moeten worden gedaan die hij redelijkerwijs kan begrijpen, conform artikel 6 EVRM Pro. De betrokkene gebruikte formulieren in het Pools en communiceerde in gebrekkig Nederlands, waardoor niet kan worden aangenomen dat hij de taal voldoende beheerst.

De kantonrechter wees de betrokkene in het Nederlands op de mogelijkheid tot hoger beroep, maar zonder vertaling in het Pools. Hierdoor kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim was met het tijdig instellen van beroep. Ook de mededelingen over de zekerheidstelling waren niet in het Pools, waardoor het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep wegens het niet stellen van zekerheid onterecht was.

Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag voor nieuwe behandeling, waarbij de betrokkene een nieuwe termijn krijgt om zekerheid te stellen met mededeling in een begrijpelijke taal.

Uitkomst: Het hoger beroep is ontvankelijk verklaard en de beslissing van de kantonrechter vernietigd wegens onvoldoende taalvoorziening bij mededelingen over termijnen en zekerheidstelling.

Uitspraak

WAHV 200.221.379
16 april 2018
CJIB 194904049
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 22 december 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] (Polen).

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in verbinding met de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
2. Blijkens de gedingstukken is de bestreden beslissing op 10 januari 2017 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 21 februari 2017. Het beroepschrift is gedateerd 5 juli 2017 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 21 juli 2017 bij de CVOM ingekomen. Het hoger beroep is dus niet tijdig ingesteld.
3. Ingevolge art. 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4. De in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gestelde eis van een eerlijke berechting brengt mee dat mededelingen, gericht aan een betrokkene van wie moet worden aangenomen dat hij de Nederlandse taal niet voldoende begrijpt en die betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil een door deze op grond van de Wahv ingesteld beroep op de rechter ontvankelijk zijn, moeten worden gedaan in een taal welke die betrokkene redelijkerwijs kan worden geacht te begrijpen.
5. De betrokkene, woonachtig in Polen, heeft voor het indienen van zijn beroepschriften telkens gebruik gemaakt van een in de Poolse taal gesteld formulier van het CJIB. Hij heeft hierop zeer summier de gronden van het beroep geformuleerd in gebrekkig Nederlands. Aangenomen moet worden dat de betrokkene de Nederlandse taal niet beheerst.
6. Onder de beslissing van de kantonrechter is de betrokkene in de Nederlandse taal gewezen op de mogelijkheid om daartegen hoger beroep in te stellen. Nu de rechtsmiddelverwijzing niet in de Poolse taal is gesteld, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. Het hof acht het hoger beroep daarom ontvankelijk.
7. In hoger beroep is niet bestreden dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid (oud), van de Wahv gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en evenmin dat de betrokkene niet binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld.
8. Bij de stukken bevinden zich twee in de Nederlandse taal gestelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten de brieven van de officier van justitie aan de betrokkene van 19 mei 2016 en 5 juni 2016. Bij de stukken bevinden zich dezelfde brieven in de Engelse taal. Ook voor de zekerheidstelling geldt de onder 4 geformuleerde eis. Nu de betrokkene niet in de Poolse taal op de hoogte is gesteld van de verplichting tot het stellen van zekerheid, heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet stellen van zekerheid.
9. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter van de rechtbank Den Haag een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in artikel 11 van Pro de Wahv kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.