Belanghebbende, gerechtigde tot een IOAW-uitkering, voerde in hoger beroep aan dat hij recht heeft op arbeidskorting, doorwerkbonus en verhoogde alleenstaande-ouderenkorting omdat hij onbetaald werk verrichtte als voorwaarde voor de uitkering.
De Inspecteur had deze heffingskortingen gecorrigeerd bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2012. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt deze uitspraak. Het hof overweegt dat de IOAW-uitkering op grond van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 als loon uit vroegere arbeid wordt aangemerkt, waardoor geen sprake is van arbeidsinkomen in de zin van de Wet IB 2001.
Daarom bestaat geen recht op de genoemde heffingskortingen. Tevens faalt het standpunt van belanghebbende dat belastingrente niet verschuldigd zou zijn vanwege het niet tijdig beoordelen van de aangifte. Het hof wijst erop dat de Inspecteur niet verplicht is de aangifte voorafgaand aan de voorlopige aanslag te beoordelen en dat dit niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.