ECLI:NL:GHARL:2018:3740

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2018
Publicatiedatum
20 april 2018
Zaaknummer
21-001032-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvArt. 2 Wet op de identificatieplichtArt. 2.1 APV gemeente Woerden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens ontbreken bewijs deelname rel bij vluchtelingennoodopvang Woerden

Op 9 oktober 2015 ontstond een relsituatie bij de noodopvang voor vluchtelingen in Woerden waarbij dranghekken werden omgegooid en met eieren en zwaar vuurwerk werd gegooid richting beveiligers. Verdachte werd ervan verdacht deel te hebben genomen aan deze ongeregeldheden en niet te hebben voldaan aan zijn identificatieplicht.

De rechtbank sprak verdachte vrij van openlijke geweldpleging, samenscholing en bedreiging, maar veroordeelde hem voor het niet tonen van een identiteitsbewijs. Het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in tegen de vrijspraak en de veroordeling.

Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte vooraf op de hoogte was van de relplannen of dat hij een significante bijdrage had geleverd. Ook bleek niet uit het dossier dat verdachte was gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen. Daarom sprak het hof verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de vrijspraak.

Het vonnis waarvan beroep werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld, waarbij het hof tot vrijspraak kwam. De verdachte was niet aanwezig bij de uitspraak op 23 april 2018.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van openlijke geweldpleging, samenscholing en het niet tonen van een identiteitsbewijs wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001032-16
Uitspraak d.d.: 23 april 2018
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 11 februari 2016 met parketnummer 16-659710-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 april 2018 en – zoals de wet dat voorschrijft in artikel 422 van Pro het Wetboek van strafvordering – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van dat wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.M.R. van Ginneken, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De officier van justitie heeft op 25 februari 2016 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 11 februari 2016 met parketnummer 16-659710-15. Dit betekent dat het hoger beroep gericht is tegen alle beslissingen van de rechtbank.
Op 9 maart 2016 heeft de officier van justitie een schriftuur ingediend met daarin vermeld de redenen van het hoger beroep. Hieruit blijkt dat het Openbaar Ministerie van oordeel is dat verdachte veroordeeld dient te worden voor samenscholing (feit 1 subsidiair). De advocaat-generaal heeft op de zitting van het hof van 9 april 2018 bevestigd dat het hoger beroep gericht is tegen de vrijspraak voor de samenscholing en dat zij daarnaast van mening is dat verdachte ook in hoger beroep veroordeeld moet worden voor het niet kunnen tonen van zijn identiteitsbewijs (feit 3).
In overleg met alle partijen is besloten dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zal worden opgevat als een beperkt ingesteld beroep.
Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep dat gericht is tegen de vrijspraak van feit 2.

De omvang van het hoger beroep

Gelet op hetgeen besproken is onder het kopje ‘ontvankelijkheid van het hoger beroep’ zal in hoger beroep alleen nog aan de orde zijn de beoordeling van dat wat aan verdachte ten laste is gelegd onder de feiten 1 en 3.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht vrijgesproken van de hem verweten openlijke geweldpleging (feit 1 primair), samenscholing (feit 1 subsidiair) en bedreiging met openlijke geweldpleging (feit 2). Hij is veroordeeld voor het niet kunnen tonen van zijn identiteitsbewijs (feit 3) en heeft daarvoor een geldboete van € 90,- gekregen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit arrest gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1 primair:
op 9 oktober 2015 in Woerden openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen en/of personen;
Feit 1 subsidiair:
op 9 oktober 2015 artikel 2.1. van de APV van de gemeente Woerden – inhoudende het verbod op deelname aan een samenscholing op een openbare plaats – heeft overtreden;
Feit 3:
op 9 oktober 2015 niet heeft voldaan aan zijn identificatieplicht.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde:
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden veroordeeld voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde, de deelname aan een samenscholing. Zij heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte onderdeel is geweest van een groep, terwijl hij wist dat deze groep kwade bedoelingen had.
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de deelname aan samenscholing. Zij heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte kwade bedoelingen had. Hij had geen wetenschap van de plannen om te gaan rellen. Daarnaast hoorde hij niet bij de groep die vanaf café [naam café] naar Woerden is vertrokken. Verdachte is het bruggetje niet over geweest en heeft geen significante bijdrage geleverd aan de gebeurtenissen.
Het hof is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het zowel de openlijke geweldpleging (feit 1 primair) als de deelname aan een samenscholing (feit 1 subsidiair). Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Met de rechtbank overweegt het hof dat de processtukken onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan te kunnen nemen dat verdachte van tevoren wetenschap heeft gehad dat er op 9 oktober 2015 in Woerden met illegaal vuurwerk en/of eieren zou worden gegooid in de richting van beveiligingsmedewerkers en/of de sporthal, en/of dat verdachte er vooraf van op de hoogte was dat het de bedoeling was om ongeregeldheden te veroorzaken bij de vluchtelingenopvang. De enkele omstandigheid dat verdachte aanwezig was in de nabijheid van een groep van waaruit openlijk geweld werd gepleegd en ongeregeldheden zijn veroorzaakt is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde:
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen voor het onder 3 ten laste gelegde feit.
De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het identiteitsbewijs van verdachte nooit gevorderd is en dat dit ook niet uit het dossier blijkt. Verdachte moet om deze reden worden vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van dat wat hem onder feit 3 verweten wordt. Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verdachte wordt verweten dat hij, nadat hij was aangehouden, niet heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen. Uit artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht volgt dat deze verplichting geldt op het moment dat een opsporingsambtenaar heeft gevorderd om het identiteitsbewijs te tonen. Uit de stukken van het strafdossier volgt alleen dat verdachte verklaard heeft dat hij zich niet kon identificeren en dat uit de fouilleringslijst blijkt dat verdachte geen identiteitsbewijs bij zich had. Nu uit de stukken niet blijkt dat aan verdachte een vordering is gedaan om een identiteitsbewijs te tonen, dient verdachte van het onder 3 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. J.P. Bordes, voorzitter,
mr. J.W. Rijkers en mr. W.A. Holland, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,
en op 23 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 23 april 2018.
Tegenwoordig:
mr. J.P. Bordes, voorzitter,
mr. M. van Leent, advocaat-generaal,
mr. R.S. Helmus, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Bijlage: De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 primair:
hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten op of aan de [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen ((een) aldaar geplaatst(e) (drang)hekwerk(en) en/of een sporthal en/of een auto) en/of personen (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zijnde beveiligingsmedewerkers) welk geweld bestond uit
- het omgooien van (een) dranghek(ken) en/of
- het gooien van (illegale) vuurwerk(bommen) en/of eieren en/of flessen en/of dranghekken in de richting van en/of op/tegen voornoemde beveiligingsmedewerkers en/of sporthal [naam sporthal] (waarin 148 vluchtelingen en meerdere vrijwilligers aanwezig waren) en/of een auto en/of
- het luidkeels roepen en/of joelen naar/in de richting van de vluchtelingen in de sporthal [naam sporthal] .
Feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 09 oktober 2015 te Woerden met anderen, althans een ander, heeft deelgenomen aan een samenscholing, en/of onnodig heeft opgedrongen en/of door uitdagend gedrag aanleiding heeft gegeven tot ongeregeldheden, immers maakte hij, verdachte, deel uit van een groep van ongeveer 25 personen, althans een aantal personen, welke personen:
- verzamelden nabij sporthal [naam sporthal] en/of
- ( vervolgens) met bivakmutsen en/of capuchons en/of donkere kleding op hun hoofd in de richting van sporthal [naam sporthal] renden/liepen en/of
- vervolgens (een) dranghek(ken) hebben omgegooid en/of
- ( illegale) vuurwerk(bommen) en/of eieren en/of flessen en/of dranghekken in de richting van en/of op/tegen voornoemde beveiligingsmedewerkers hebben gegooid en/of
- luidkeels naar/in de richting van de vluchtelingen in de sporthal [naam sporthal] geroepen en/of gejoeld, onder meer teksten als "oprotten" en/of "niet welkom" en/of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking waardoor een dreigende situatie ontstond.
Feit 3:
hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, niet heeft voldaan aan zijn verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, die is opgelegd bij artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.