Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1974 gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben vier meerderjarige kinderen. Sinds november 2013 zijn zij feitelijk gescheiden. In oktober 2016 is overeenstemming bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, en in oktober 2016 is de echtscheiding uitgesproken. De vrouw verzocht om partneralimentatie, welke in augustus 2017 door de rechtbank werd vastgesteld op €4.000 per maand.
De man ging in hoger beroep en voerde aan dat de vrouw haar behoefte onvoldoende had onderbouwd en dat zij zelf inkomsten kan verwerven uit verhuur van een aan haar toebedeeld pand. De vrouw baseerde haar behoefte op de hofnorm van 60% van het netto gezinsinkomen, maar leverde geen concrete onderbouwing van haar uitgavenpatroon of huidige lasten.
Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij behoefte heeft aan de gevraagde alimentatie. Tevens heeft zij onvoldoende onderbouwd dat het pand niet verhuurbaar is. Omdat het vermogen bij helfte is verdeeld, moet ieder in eigen onderhoud kunnen voorzien. Het hof vernietigde de beschikking en wees het verzoek om partneralimentatie af. De proceskostenveroordeling werd achterwege gelaten omdat het een geschil tussen ex-echtgenoten betreft.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om partneralimentatie af wegens onvoldoende onderbouwing van behoefte en draagkracht.