Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of de partneralimentatieplicht van de man jegens de vrouw moest eindigen vanwege samenwoning van de vrouw met een ander als waren zij gehuwd. Het hof verwees naar eerdere tussenbeschikkingen en getuigenverhoren waarin de vrouw en haar partner verklaringen aflegden over hun samenwoning en relatie.
De vrouw ontkende volledige samenwoning vanaf september 2014, maar het hof stelde vast dat zij in ieder geval in juni en juli 2015 met haar partner samenwoonde. Uit de verklaringen bleek dat zij een affectieve relatie van duurzame aard hadden, een gemeenschappelijke huishouding voerden en elkaar wederzijds verzorgden, onder meer door financiële bijdragen, gezamenlijke vakanties en het delen van huishoudelijke taken.
Op grond van deze feiten concludeerde het hof dat de vrouw en haar partner vanaf 1 juni 2015 als waren zij gehuwd samenwoonden in de zin van artikel 1:160 BW Pro. Hierdoor eindigde de alimentatieplicht van de man met ingang van die datum. De vordering van de man werd daarom deels toegewezen voor de periode vanaf 1 juni 2015, terwijl de eerdere alimentatieverplichting voor de periode daarvoor werd bekrachtigd.
Het hof compenseerde de proceskosten in hoger beroep en wees het overige verzoek af. De beschikking van de rechtbank werd op dit punt vernietigd en opnieuw vastgesteld met de genoemde aanpassing.
Uitkomst: De partneralimentatieplicht van de man eindigt met ingang van 1 juni 2015 wegens samenwoning van de vrouw als waren zij gehuwd.