ECLI:NL:GHARL:2018:4651
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- M. B. Beekhoven van den Boezem
- H. L. Wattel
- J. B. M. Vranken
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid en onderlinge verdeling van leningsschuld tussen mede-exploitanten café
In deze zaak gaat het om de onderlinge verdeling van een hoofdelijke lening tussen twee mede-exploitanten van een café. Drankenhandel Terborgse Wijncentrale B.V. (TWC) verstrekte twee leningen aan het café, waarbij appellant en geïntimeerde hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld. Appellant betwistte in hoger beroep dat hij voor de gehele Restantschuld aansprakelijk is en stelde dat alleen geïntimeerde de schuld draagt, omdat deze de feitelijke exploitant was na een doorstart.
Het hof verwijst naar de feiten vastgesteld door de kantonrechter en beoordeelt dat appellant onvoldoende concrete feiten heeft aangevoerd om zijn stelling te onderbouwen. De Restantschuld is volgens het hof terecht volledig aan appellant toegerekend, omdat hij ten tijde van de eerste lening feitelijk de uitbater was en geïntimeerde toen nog niet betrokken was. Voor de Aanvullende lening geldt dat deze gezamenlijk ten goede is gekomen aan beide partijen, wat ook door appellant niet voldoende is betwist.
Het hof oordeelt dat de onderlinge rechtsverhouding tussen appellant en geïntimeerde een verdeling bij helfte van de Aanvullende lening rechtvaardigt. De stelling dat appellant geen profijt heeft gehad van de lening wordt verworpen, evenals het verweer dat de rechten en verplichtingen geheel op geïntimeerde zijn overgegaan. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en bevestigt dat appellant de restantschuld volledig en de aanvullende lening voor de helft moet dragen.