Uitspraak
kantoorhoudende te [D] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak is betrokkene gesanctioneerd wegens het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een motorrijtuig. De kantonrechter matigde de sanctie en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af. Betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof oordeelt dat de sanctie terecht door een bevoegde ambtenaar van de RDW is opgelegd, ondanks het ontbreken van een proces-verbaal of naam in het dossier. De bevoegdheid kan worden vastgesteld aan de hand van het verbalisantnummer. Daarnaast wordt bevestigd dat de oude circulaire die de bevoegdheid regelde is vervangen door nieuwe beleidsregels zonder overgangsregeling, maar dit tast de bevoegdheid niet aan.
Ten aanzien van de proceskostenvergoeding stelt het hof vast dat de verbalisant niet bevoegd is om de sanctie te matigen op grond van persoonlijke omstandigheden, maar dat deze bevoegdheid wel bij de officier van justitie ligt. Omdat de officier van justitie ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid, is sprake van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarom wordt de proceskostenvergoeding alsnog toegekend.
Het hof vernietigt het deel van het vonnis van de kantonrechter dat de proceskostenvergoeding afwees, bevestigt de rest van het vonnis met verbeterde gronden en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van € 501,- aan betrokkene.
Uitkomst: Het hof bevestigt de matiging van de sanctie en wijst alsnog proceskostenvergoeding toe aan betrokkene.