ECLI:NL:GHARL:2018:5139

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juni 2018
Publicatiedatum
5 juni 2018
Zaaknummer
200.235.267
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:460 BWRegeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot vergoeding advocaatkosten mentor in hoger beroep

De kantonrechter had bij beschikking van 15 december 2017 het verzoek van de mentor tot vergoeding van advocaatkosten in hoger beroep afgewezen. De mentor was benoemd om het mentorschap van de betrokkene te vervullen en had verzocht om de kosten van rechtsbijstand door een advocaat in hoger beroep ten laste van het vermogen van de betrokkene te brengen.

Het hof overwoog dat volgens artikel 1:460 BW Pro en de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren een forfaitaire jaarbeloning geldt, waarbij alleen bij uitzonderlijke omstandigheden een afwijking mogelijk is. De inzet van een advocaat in hoger beroep werd niet als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid aangemerkt, omdat een mentor ook zonder advocaat verweer kan voeren en het niet in het belang is van de betrokkene om deze kosten lichtvaardig te dragen.

De mentor had aangevoerd dat zij advocaatbijstand nodig had vanwege de aanwezigheid van advocaten van familieleden die haar wilden ontslaan. Het hof erkende de moeilijke positie van de mentor, maar vond dat een professionele mentor voldoende tegenspraak kan bieden zonder advocaat. Ook was niet gebleken dat de mentor zich niet kon verzekeren tegen deze kosten.

Daarom werd de bestreden beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en bleef het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten ten laste van het vermogen van de betrokkene afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten ten laste van het vermogen van de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.235.267
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5636086)
beschikking van 5 juni 2018
inzake
[verzoekster],
gevestigd te [plaatsnaam] ,
mentor van de hierna nader te noemen de betrokkene [betrokkene] ,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de mentor,
advocaat: mr. J. van Berk te Nijmegen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[betrokkene],
wonende te [plaatsnaam] ,
verder te noemen: de betrokkene,
en
[bewindvoerder betrokkene],
gevestigd te [plaatsnaam] ,
bewindvoerder van de betrokkene,
verder te noemen: de bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 maart 2018.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2018 plaatsgevonden. De mentor en de bewindvoerder zijn in persoon verschenen, de mentor bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De kantonrechter heeft bij beschikking van 11 april 2016 een mentorschap ten behoeve van de betrokkene ingesteld met benoeming van [X] tot mentor. [verzoekster] is de feitelijke uitvoerder van het mentorschap.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 27 november 2017 heeft de mentor verzocht om in de hoger beroepzaak met zaaknummer 200.225.143, betreffende ontslag van de mentor, te mogen optreden en zich door mr. Van Berk te laten bijstaan en om de kosten van die rechtsbijstand ten laste van het vermogen van de rechthebbende te mogen brengen tegen een uurtarief van € 150,- exclusief BTW.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de beschikking van 15 december 2017 heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen.
4.2
Verzoekster is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 december 2017. Verzoekster heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek om de kosten rechtsbijstand – met een maximum van € 2.000,- - aan de zijde van de mentor in de beroepsprocedure die is ingesteld door [persoon 1] en [persoon 2] , ten laste van het vermogen van de betrokkene te brengen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:460 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) mag de mentor de bij de vervulling van zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening brengen. De mentor heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld.
5.2
Vanaf 1 januari 2015 geldt de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, verder te noemen: de regeling. In artikel 4 lid 2 van Pro de regeling is opgenomen dat de jaarbeloning, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing, voor een mentor € 1.105,- bedraagt. Op grond artikel 4 lid 5 van Pro de regeling kan de kantonrechter in afwijking van het eerste lid wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de mentor op andere wijze vaststellen. In de toelichting op artikel 4 is Pro het volgende opgenomen: “De forfaitaire jaarbeloning is inclusief onkostenvergoeding. Met onkosten wordt bedoeld de kosten die de vertegenwoordiger in het belang van de goede uitoefening van zijn taken maakt. (…) De onkostenvergoeding is verdisconteerd in het uurtarief. (…) Met deze regeling wordt beoogd het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken. Niet uit te sluiten is echter dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. De kantonrechter wordt daarom de ruimte gelaten om vanwege uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval de beloning van de vertegenwoordiger op andere wijze vast te stellen. (…) Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden’ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken. (…) Wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, kan niet in een limitatieve opsomming in deze regeling worden vastgesteld. Deze omstandigheden zijn immers toegesneden op de omstandigheden die zich in een specifiek geval kunnen voordoen en zijn naar hun aard niet alle voorzienbaar. (…) Van belang is om te benadrukken dat het dient te gaan om incidentele extra werkzaamheden”.
5.3
De vraag die thans voorligt is derhalve of de kosten van de bijstand van een advocaat in de hoger beroepzaak een uitzonderlijke omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel 4 lid 5 van Pro de regeling op grond waarvan de beloning van de mentor (inclusief onkosten) op andere wijze kan worden vastgesteld. Het hof is van oordeel dat deze vraag negatief moet worden beantwoord. Hierbij is het volgende in overweging genomen. Hoewel een beroepschrift en een verweerschrift in hoger beroep moeten worden ingediend door tussenkomst van een advocaat kan een mentor ook de keus maken ter zitting zelf verweer te voeren zonder bijstand van een advocaat. Die bijstand was dus niet vereist voor de mentor om zich te kunnen mengen in het debat in hoger beroep. De mentor heeft aangevoerd dat zij zich genoodzaakt voelde om zich te laten bijstaan door een advocaat, omdat de familieleden van de betrokkene eveneens werden bijgestaan door een advocaat en zij zo tegenwicht kon bieden aan de advocaat van de familieleden, met andere woorden: zij er niet alleen voor stond. Het hof heeft begrip voor de positie van de mentor in een dergelijke situatie maar in beginsel kan van een professionele mentor worden verwacht voldoende tegenspraak te bieden bij een debat over haar functioneren. Gelet op de aanzienlijke kosten die het inschakelen van een advocaat met zich meebrengt is het niet in het belang van de betrokkene om die kosten te snel of lichtvaardig ten laste van diens vermogen te brengen. Bovendien betreft het een verzoek van enkele familieleden van de betrokkene tot ontslag van de mentor en is de betrokkene zelf, behalve als belanghebbende, geen actieve procespartij in het geding. De vraag doet zich dan voor of het redelijk en billijk is haar dan de lasten te laten dragen. Ten slotte is niet gesteld of gebleken dat en waarom de mentor zich niet zou kunnen verzekeren voor de kosten van rechtsbijstand in dit soort procedures. Mede gelet op de grote terughoudendheid die de wetgever heeft beoogd ten aanzien van de kosten die in het kader van curatele, bewind of een mentorschap ten laste van betrokkenen kunnen worden gebracht, acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene, dat zich in dit geval geen uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in artikel 4 lid 5 van Pro de regeling voordoet.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 december 2017.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 5 juni 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.