Uitspraak
kantoorhoudende te [D] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond het hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter Amsterdam centraal, waarbij de betrokkene werd vertegenwoordigd door een gemachtigde. De kern van het geschil betrof de verstrekking van processtukken op grond van artikel 11, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en de vraag of de kantonrechter een nadere termijn had moeten verlenen voor het aanvullen van de beroepsgronden.
De gemachtigde had pas na het verstrijken van de door de kantonrechter bepaalde termijn om inzage en verstrekking van het procesdossier verzocht. De kantonrechter oordeelde dat het niet aan hem was om partijen van stukken te voorzien en dat op basis van de initiële beschikking voldoende informatie aanwezig was om de beroepsgronden te formuleren. Het hof stelde vast dat hoewel de kantonrechter onjuist handelde door te zeggen dat hij geen stukken hoefde te verstrekken, er geen strijd was met de Wahv of het EVRM omdat de gemachtigde te laat om de stukken had gevraagd.
Daarom kwam het hof tot de conclusie dat het niet in het nadeel van de betrokkene mocht worden toegerekend dat de stukken niet tijdig waren verstrekt. Ook was het niet nodig om een nadere termijn te verlenen voor het aanvullen van de gronden. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest bevestigt daarmee de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.