ECLI:NL:GHARL:2018:5771

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 juni 2018
Publicatiedatum
22 juni 2018
Zaaknummer
21-004561-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling medeplichtigheid aan hennepteelt met gevangenisstraf

Verdachte werd primair beschuldigd van medeplegen van hennepteelt en subsidiair van medeplichtigheid door het beschikbaar stellen van een pand voor hennepteelt. Het hof heeft het hoger beroep behandeld en oordeelt dat de eerste rechter het vonnis terecht heeft gewezen. Verdachte is schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan hennepteelt.

Verdachte stelde een gehuurd bedrijfspand ter beschikking waarin 423 hennepplanten werden aangetroffen, bestemd voor verdere verspreiding. Hoewel verdachte zelf niet direct betrokken was bij de kwekerij, droeg hij door zijn handelen bij aan het criminele circuit van hennepteelt en -handel. Verdachte heeft meerdere eerdere veroordelingen, waaronder voor Opiumwetdelicten, wat strafverzwarend werkt.

De opgelegde straf is een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Het hof acht deze straf passend gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De straf is zwaarder dan door de advocaat-generaal geëist, mede vanwege de recidive van verdachte.

Het hof vernietigt het vonnis alleen ten aanzien van de strafmotivering en bevestigt het vonnis voor het overige. De strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het is begaan.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar wegens medeplichtigheid aan hennepteelt.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004561-17
Uitspraak d.d.: 22 juni 2018
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 8 augustus 2017 met parketnummer 16-075819-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, vrijspraak van hetgeen primair aan verdachte is tenlastegelegd, bewezenverklaring van hetgeen subsidiair aan verdachte is tenlastegelegd en veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 1000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, dient te worden opgelegd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en heeft verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde, te weten medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve ten aanzien van de strafmotivering. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte is medeplichtig geweest aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod. Verdachte heeft een door hem gehuurd bedrijfspand aan anderen ter beschikking gesteld voor het kweken van – naar is gebleken – 423 hennepplanten. Gezien de hoeveelheid aangetroffen planten kan het niet anders dan dat de hennep voor verdere verspreiding bedoeld was. Blijkens het dossier is verdachte zelf niet betrokken geweest bij de hennepkwekerij. Dit laat onverlet dat verdachte door zijn handelen bijgedragen heeft aan het in stand houden van een crimineel circuit waarin hennep in illegale kwekerijen wordt geproduceerd en waarin winst wordt gemaakt met de handel in die hennep. Het gebruik van deze hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van de gebruikers.
Uit het verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 mei 2018, dat 10 pagina’s beslaat, blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder meermalen ter zake van het overtreden van de Opiumwet. Deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Dat werkt strafverzwarend. De voornoemde veroordelingen brengen ook met zich mee dat artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Gelet op de ernst van het feit en de justitiële documentatie van verdachte kan niet worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde straffen. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht, geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan de rechtbank heeft opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 48 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van motivering van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. H.L. Stuiver, voorzitter,
mr. L.J. Hofstra en mr. A. Dijkstra, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.D. de Boer, griffier,
en op 22 juni 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Dijkstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.