Belanghebbende maakte aanspraak op aftrek van specifieke zorgkosten in zijn inkomstenbelastingaangiften over 2013 en 2014 vanwege de ziekte van zijn zoon, die in 2013 in Turkije werd behandeld en in 2014 overleed. De Inspecteur wees de aftrek af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bracht belanghebbende bewijs aan in de vorm van verklaringen van het Turkse ziekenhuis en leningovereenkomsten met familieleden, waarmee hij de zorgkosten zou hebben gefinancierd. Het hof oordeelde dat het enkel afsluiten van leningen niet voldoende is om aan te tonen dat de kosten daadwerkelijk op belanghebbende drukken, vooral omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de leningen zijn terugbetaald.
Daarmee is niet voldaan aan het vereiste dat de kosten op belanghebbende drukken zoals bedoeld in de Wet IB 2001. Het hof bevestigde het oordeel van de Inspecteur en rechtbank dat belanghebbende geen aftrek van specifieke zorgkosten toekomt. Ook de aanslagen en belastingrente blijven ongewijzigd.