Belanghebbende was erfgenaam in een nalatenschap die voornamelijk uit vastgoed bestond. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen IB/PVV op over 2009 en 2011 wegens vermeende winst uit aanmerkelijk belang, terwijl belanghebbende stelde dat zij geen aandelenbezit had.
De rechtbank had de beroepen gegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot proceskostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.
Het hof oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor de hoogte van de proceskosten, maar stelde deze in goede justitie vast op €20.000. Het verzoek om aanvullende immateriële schadevergoeding werd afgewezen. Tevens vernietigde het hof de navorderingsaanslag 2009 en verminderde de aanslag 2011 zoals ambtshalve was gedaan.
De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €124. De uitspraak is openbaar gedaan op 10 juli 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.