Uitspraak
[Bedrijf A],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep van [verweerder] , met producties;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze arbeidsrechtelijke zaak staat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer centraal, alsmede de vraag of de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door het opschorten van loon tijdens ziekte en re-integratie.
De werknemer was sinds oktober 2015 in dienst als metaalbewerker en meldde zich ziek in september 2016. De re-integratie verliep moeizaam, mede door een conflict met de arbodienst die de dienstverlening stopzette vanwege het gedrag van de werknemer. De werkgever schortte daarop vanaf 1 juni 2017 de loonbetaling op. De werknemer was volgens een UWV-second opinion vanaf februari 2017 volledig arbeidsongeschikt.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld en kende een billijke vergoeding toe aan de werknemer. Het hof vernietigt dit oordeel, stelt dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maar wel verwijtbaar heeft gehandeld door het loon zonder waarschuwing op te schorten. De loonbetaling is verschuldigd vanaf 1 juni 2017, maar de wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de g-grond. Het concurrentiebeding is deels komen te vervallen, het relatiebeding blijft gehandhaafd. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof vernietigt de billijke vergoeding en wettelijke verhoging, bevestigt ontbinding op de g-grond en verplicht loonbetaling vanaf 1 juni 2017 zonder wettelijke verhoging.