Het geschil betreft een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling tussen de vader en zijn vier minderjarige kinderen. De moeder heeft verzocht om ontzegging van het omgangsrecht van de vader, terwijl de gezinsvoogdij-instelling (GI) een wijziging van de omgangsregeling wilde.
De rechtbank Midden-Nederland heeft de moeder's verzoek toegewezen en de omgangsregeling gewijzigd door de vader het recht op omgang met de kinderen voor twaalf maanden te ontzeggen. De vader is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan met twee grieven, waarin hij onder meer stelt dat de moeder niet bevoegd was tot het indienen van een zelfstandig verzoek en dat er geen gronden zijn voor ontzegging.
Het hof overweegt dat de moeder wel bevoegd was om een zelfstandig verzoek in te dienen en dat de omgangsregeling slechts ontzegd kan worden op grond van limitatief opgesomde gronden in artikel 1:377a lid 3 BW. Uit het dossier blijkt dat de vader herhaaldelijk de belangen van de kinderen heeft geschaad door het niet naleven van afspraken, het schreeuwen in aanwezigheid van de kinderen en het negeren van contactverboden.
De jeugdbeschermer en de raad voor de kinderbescherming adviseren de ontzegging te handhaven vanwege het gevaar voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen. Het hof bevestigt dat omgang met de vader in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen en wijzigt de beschikking van de rechtbank door de omgangsregeling te wijzigen en het omgangsrecht van de vader te ontzeggen. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd.