Partijen, voormalige partners en ouders van drie minderjarige kinderen, voeren een geschil over de hoogte van de kinderalimentatie en de draagkracht van beide ouders. De rechtbank Gelderland had bij beschikking van 3 oktober 2017 de alimentatiebedragen vastgesteld, waarna beide partijen hoger beroep instelden met diverse grieven.
Het hof heeft het verloop van de procedure en de feiten overgenomen, waaronder de hoofdverblijfplaatsen van de kinderen en eerdere alimentatiebeschikkingen. De vrouw stelde dat de man meer inkomsten had dan hij opgaf en daarom een hogere bijdrage kon leveren. De man betwistte dit en voerde aan dat hij geen inkomsten uit zijn onderneming of andere bronnen ontving.
Na beoordeling van de ingebrachte stukken, waaronder jaarstukken en salarisgegevens, concludeerde het hof dat de man geen substantiële inkomsten had en dat de vrouw onvoldoende bewijs leverde voor haar stellingen over zijn draagkracht. Ook de door de man gestelde inkomsten van de vrouw uit haar eigen onderneming en verhuur werden niet aannemelijk geacht.
Het hof sloot aan bij de eerdere overwegingen van de rechtbank over de draagkracht van beide partijen en oordeelde dat de grieven falen. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.