Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 januari 2018 en
- een journaalbericht van mr. Diepeveen-Goldhoorn van 30 april 2018 met producties.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vrouw en de man zijn ouders van een minderjarig kind, over wie de vrouw het gezag uitoefent en bij wie het kind woont. In eerste aanleg was de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind vastgesteld op nihil. De vrouw ging hiertegen in hoger beroep en vorderde een bijdrage van €450 per maand.
Het hof bevestigt de behoefte van het kind op €1.050 per maand en van de kinderen uit het vorige huwelijk van de man op €759 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van de man wordt vastgesteld op €2.578 per maand. Voor de draagkrachtberekening wordt het forfaitaire systeem toegepast, waarbij 30% van het inkomen als woonlasten wordt gerekend, ondanks dat de man lagere feitelijke woonlasten heeft.
Verder neemt het hof de schulden van de man mee in de berekening, omdat deze noodzakelijk en niet vermijdbaar zijn, waaronder een schuld van ruim €63.000 met een maandelijkse aflossing van €500. Schulden waarvoor de ex-partner verantwoordelijk is, worden niet meegenomen. De draagkracht wordt verdeeld over de drie kinderen naar rato van hun behoefte.
Uiteindelijk vernietigt het hof het eerdere vonnis voor zover de bijdrage op nihil was vastgesteld en legt een bijdrage van €11 per maand op, ingaande 14 maart 2017. De rest van het vonnis wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De man moet vanaf 14 maart 2017 een bijdrage van €11 per maand betalen voor kinderalimentatie.