Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in (het principaal) hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de partneralimentatie centraal, waarbij partijen een niet-wijzigingsbeding hadden opgenomen in hun echtscheidingsconvenant uit 2012. De man verzocht om wijziging van de partneralimentatie, stellende dat zijn inkomenssituatie drastisch was veranderd door ontslag en het ontbreken van draagkracht.
Het hof bevestigde dat het niet-wijzigingsbeding rechtsgeldig was overeengekomen en dat de man onvoldoende had onderbouwd dat hij niet aan dit beding gehouden kon worden. De vrouw had een hypothecaire lening afgesloten die afhankelijk was van de partneralimentatie, wat het belang van het beding onderstreepte. De man had bovendien niet volledig en naar waarheid zijn financiële situatie weergegeven, aangezien hij inkomsten uit ontslagvergoeding, lijfrente en bijles had, wat zijn stelplicht ondermijnde.
Het hof oordeelde dat de gestelde inkomensachteruitgang niet voldeed aan de hoge eisen voor een ingrijpende wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW Pro. Ook andere door de man aangevoerde wijzigingen waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank had ten onrechte het verzoek toegewezen, waardoor het hof deze beschikking vernietigde en het verzoek tot wijziging van partneralimentatie afwees.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie af en bevestigt het niet-wijzigingsbeding.