Het geschil betreft een verzoek tot wijziging van de partneralimentatie tussen partijen na ontbinding van hun huwelijk in 2011. De man verzocht de alimentatie te verlagen tot nihil met ingang van 1 juli 2017, terwijl de vrouw dit afwees. De rechtbank wijzigde de alimentatie in 2017 naar €491,- per maand, waartegen beide partijen hoger beroep instelden.
Het hof overweegt dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van behoefte en draagkracht rechtvaardigt. De ingangsdatum van de wijziging wordt vastgesteld op 7 september 2017, de datum van de bestreden beschikking, vanwege de redelijkheid en het voorkomen van ingrijpende terugbetalingsverplichtingen.
De draagkracht van de man wordt berekend aan de hand van zijn winst uit onderneming, pensioen, AOW, en niet vergoede ziektekosten zoals acupunctuur en tandartskosten. Het hof verwerpt het fictief inkomen uit zijn ontslag bij [naam bedrijf] B.V. en houdt rekening met een lijfrente-uitkering vanaf 2018. Kosten voor het levensonderhoud van de jongste meerderjarige kind worden niet meer meegenomen vanaf mei 2018.
Het hof vernietigt de beschikking van 7 september 2017 en stelt de partneralimentatie vast op €31,- per maand tot eind 2017, €136,- per maand tot 4 mei 2018, en €728,- per maand vanaf 5 mei 2018. Tevens wordt bepaald dat de vrouw teveel betaalde alimentatie vanaf 7 september 2017 dient terug te betalen.