In deze zaak staat de uitleg van een legaat ter grootte van de legitieme portie centraal, waarbij de nalatenschap van een erflaatster die een bedrag in een Liechtensteinse stichting heeft ingebracht, wordt verdeeld tussen haar kinderen. De erflaatster heeft een legaat nagelaten aan één van haar kinderen, appellant, terwijl de andere kinderen als erfgenamen zijn benoemd. Het geschil betreft de vraag hoe het legaat en de legitieme portie moeten worden berekend, mede gezien het buitenlandse element van de stichting.
Het hof stelt vast dat het Nederlandse recht van toepassing is op de nalatenschap en dat de zinsnede 'ter grootte van zijn legitieme portie' in de uiterste wil moet worden uitgelegd als het tekort dat de legitieme portie lijdt, en niet als het rekenkundige aandeel zonder aftrek van eerdere verkrijgingen. Het hof wijst het standpunt van appellant af dat het bedrag in de stichting als schenking moet worden meegeteld bij de berekening van de legitieme portie.
Verder overweegt het hof dat de wettelijke regeling van de legitieme portie moet worden aangepast aan het buitenlandse element van de stichting, zodat de ratio en opzet van de regeling behouden blijven. Het hof geeft de andere erfgenamen de gelegenheid om een berekening van het legaat over te leggen en houdt verdere beslissing aan, zodat een juiste vaststelling kan plaatsvinden.