Uitspraak
De beslissing van de kantonrechter
Het procesverloop
Daarvan is geen gebruik gemaakt.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de kantonrechter Zeeland-West-Brabant van 2 mei 2017. De kantonrechter had de beroepen van betrokkene tegen beslissingen van de officier van justitie ongegrond verklaard en tevens een betalingsregeling vastgesteld voor de nog verschuldigde bedragen.
De officier van justitie stelde in hoger beroep dat de kantonrechter weliswaar terecht de beroepen ongegrond verklaarde, maar niet bevoegd was om een betalingsregeling vast te stellen. Het hof beoordeelde dit aan de hand van artikel 13, eerste lid, en artikel 22, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
Het hof oordeelde dat de kantonrechter inderdaad niet bevoegd is om in een dergelijke procedure een betalingsregeling vast te stellen, omdat de inning van administratieve sancties bij de officier van justitie ligt. Daarom vernietigde het hof het deel van de beslissing waarin de betalingsregeling was vastgesteld, maar bevestigde het de rest van de beslissing dat de beroepen ongegrond waren verklaard.
Dit arrest verduidelijkt de grenzen van de bevoegdheid van de kantonrechter in zaken over administratieve sancties onder de Wahv en bevestigt de rol van de officier van justitie bij de inning van deze sancties.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt het deel van de kantonrechterlijke beslissing waarin een betalingsregeling is vastgesteld en bevestigt de rest van de beslissing.