ECLI:NL:GHARL:2018:8528

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 september 2018
Publicatiedatum
25 september 2018
Zaaknummer
21-005186-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 BoswetArt. 6:162 BWArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
Verwijzingen
13 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens onrechtmatige kap populierenbos zonder tijdige kennisgeving

Verdachte heeft in de periode van 26 mei tot en met 19 juni 2014 ongeveer 7 hectare populierenbos laten vellen op twee percelen grond zonder voorafgaande tijdige kennisgeving aan het bevoegd gezag, zoals vereist in artikel 2 van Pro de Boswet. Verdachte voerde aan dat hij beschikte over een vrijstelling van de meldings- en herplantplicht, maar kon het bestaan van een dergelijke vrijstelling niet aannemelijk maken omdat de vereiste mededeling van de directeur ontbrak.

De rechtbank Noord-Nederland sprak verdachte vrij, maar het hof kwam tot een andere bewijswaardering en vernietigde het vonnis. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk handelde in strijd met de Boswet. Verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €10.000,- waarvan €5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Het hof overwoog dat verdachte eerder economische delicten had gepleegd, maar niet voor soortgelijke feiten. Gezien de ernst van de overtreding en de draagkracht van verdachte achtte het hof de opgelegde geldboete passend. De bijzondere voorwaarde tot herplantplicht werd niet opgelegd, omdat onvoldoende vaststond dat verdachte daaraan kon voldoen. Het is aan het bevoegd gezag om dit te beoordelen.

De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 september 2018 na behandeling van het hoger beroep ingesteld door de officier van justitie tegen het vrijspraakvonnis van de politierechter.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €10.000,- wegens het zonder tijdige kennisgeving vellen van populierenbos.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005186-17
Uitspraak d.d.: 25 september 2018
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 september 2017 met parketnummer 84-059195-15 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1940,
wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde tot een geldboete van € 10.000,-, waarvan € 5.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde een herplantplicht te verrichten binnen 8 maanden na ingang van de proeftijd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. M.G. Doornbos, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 mei 2014 tot en met 19 juni 2014 te [plaats], gemeente [gemeente 1] al dan niet opzettelijk op twee, althans één of meer perce(e)l(en) grond gelegen aan de [straat 1] en/of [straat 2], kadastraal bekend gemeente [gemeente 2], sectie [letter] nummer(s) [nummer 1] en [nummer 2], een houtopstand, te weten ongeveer 7 hectare populierenbos, heeft geveld en/of heeft doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder voorafgaande tijdige kennisgeving zoals bedoeld in artikel 2 eerste Pro lid van de Boswet.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op in de periode van 26 mei 2014 tot en met 19 juni 2014 te [plaats], gemeente [gemeente 1] opzettelijk op twee percelen grond gelegen aan de [straat 1] en [straat 2], kadastraal bekend gemeente [gemeente 2], sectie [letter] nummers [nummer 1] en [nummer 2], een houtopstand, te weten ongeveer 7 hectare populierenbos, heeft doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder voorafgaande tijdige kennisgeving zoals bedoeld in artikel 2 eerste Pro lid van de Boswet.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Namens verdachte is aangevoerd dat hij met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde percelen beschikte over een vrijstelling van de meldings- en herplantplicht naar aanleiding van een ingediende aanvraag tot het aanleggen van bos op die percelen. Dit dient volgens de raadsman ertoe te leiden dat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. Het hof begrijpt dit verweer aldus, nu het de strafbaarheid van het feit betreft, dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 2 van Pro de destijds geldende Boswet luidt:
1 Hij, die het voornemen heeft om tot vellen of doen vellen van houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, over te gaan, is verplicht van dat voornemen ten minste één maand doch niet langer dan één jaar tevoren door toezending van een formulier, dat als aangetekend stuk wordt verzonden, kennis te geven aan Onze Minister alsmede, zo hij niet de eigenaar is van de te ontbloten grond, ook aan deze laatste. Onze Minister stelt het model voor dit formulier vast. Onze Minister zendt onverwijld een bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving.
2 De in het vorige lid bedoelde afzender is verplicht het formulier juist en volledig in te vullen en te ondertekenen.
3 Het is verboden te vellen of te doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan.
Artikel 6, eerste lid, van de destijds geldende Boswet bepaalt, voor zover hier van belang, dat onze Minister bij regeling voor door hem aan te wijzen groepen van gevallen, al dan niet onder voorwaarden, vrijstelling van het bepaalde bij of krachtens artikel 2 kan Pro verlenen.
Verdachte doet een beroep op de op dit artikellid gebaseerde Beschikking vrijstelling meldings- en herplantplicht (Stcrt. 11 oktober 1982, 195).
Artikel 1 van Pro deze Beschikking luidt:
Deze beschikking verstaat onder:
'wet': Boswet (Stb. 1961, 256);
'directeur': Algemeen directeur van het Staatsbosbeheer.
Artikel 2 van Pro de Beschikking, voor zover hier van belang, luidt:
Voor bos dat na inwerkingtreding van deze beschikking is aangelegd, wordt vrijstelling van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet verleend indien:
- voldaan is aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van deze beschikking.
Artikel 3 van Pro de Beschikking luidt:
l. Voordat tot aanleg van het bos wordt overgegaan, dient het tijdstip en de plaats van aanleg middels een formulier te worden aangemeld bij de directeur en dient de mededeling als bedoeld in het derde lid, te zijn ontvangen.
2. De directeur stelt het model-formulier voor de aanmelding vast. Het modelformulier voorziet onder meer in een kadastrale omschrijving van de percelen waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan.
3. Binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het formulier doet de directeur mededeling omtrent de vrijstelling.
Verdachte heeft weliswaar een formulier als bedoeld in het tweede lid van artikel 3 van Pro de Beschikking overgelegd, welk formulier verdachte, naar hij stelt, heeft ingediend bij de directeur, maar de voor het bestaan van een vrijstelling constitutieve mededeling genoemd in het eerste lid van dit artikel heeft verdachte niet overgelegd. Uit het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat een zodanige mededeling niet aanwezig is in de archieven van de 'directeur' in de zin van de Beschikking.
Het voorgaande leidt ertoe dat verdachte het bestaan van een vrijstelling in de zin van de Beschikking niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep op de vrijstelling faalt daarmee.
Het bewezen verklaarde levert op:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Boswet, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft in 1994 populierenbos op percelen landbouwgrond geplant. Verdachte ontving hiervoor een subsidie. In de periode van 26 mei 2014 tot en met 19 juni 2014 heeft verdachte op die percelen in totaal ongeveer 7 hectare populierenbos laten vellen. Op grond van de regelgeving was verdachte verplicht hiervan melding te doen. Dit heeft hij echter nagelaten. Hierdoor heeft het bevoegd gezag niet over de voor de handhaving van de Boswet vereiste informatie kunnen beschikken.
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 augustus 2018 is gebleken dat verdachte eerder ter zake van economische delicten onherroepelijk tot straffen is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk feit als het onderhavige.
Alles in onderlinge samenhang beziend acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete een passende straf. Het hof ziet, in aanmerking genomen dat thans onvoldoende vaststaat dat verdachte daaraan kan voldoen, geen aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarde op te leggen. Het is aan het bevoegd gezag om na te gaan of verdachte tot herplanting kan en moet overgaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 2 van Pro de Boswet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 5.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 25 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.