ECLI:NL:GHARL:2018:8606

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 september 2018
Publicatiedatum
26 september 2018
Zaaknummer
WAHV 200.200.972
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Anjewierden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WVW 1994Art. 82 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren gehandicaptenparkeerplaats op openbaar toegankelijke terrein

In hoger beroep is de beslissing van de kantonrechter bevestigd waarbij een administratieve sanctie van €370,- is opgelegd aan betrokkene wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart.

Betrokkene voerde aan dat het voertuig niet op de openbare weg stond maar op eigen terrein bij een horecagelegenheid, waar met toestemming van de receptioniste was geparkeerd. Het geschil spitste zich toe op de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden aangemerkt.

Het hof oordeelde dat het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstond, mede omdat de rechthebbende zich niet op kenbare wijze het recht had voorbehouden om toegang te ontzeggen. De sanctie was daarom terecht opgelegd. Toestemming van de receptioniste was niet bindend omdat zij niet bevoegd was om verkeersregels te overrulen.

De kantonrechter heeft de sanctie terecht gehandhaafd en het hoger beroep is ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €370,- voor parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige kaart omdat het terrein als openbaar toegankelijk wordt aangemerkt.

Uitspraak

WAHV 200.200.972
26 september 2018
CJIB 192573086
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland
van 19 augustus 2016
betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De gemachtigde van de betrokkene heeft bij brieven van 22 juni 2017 en 27 juni 2017 gronden en nadere stukken ingediend.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 15 september 2015 om 05.17 uur op de Rijksweg A4 links te Rijsenhout met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat ten onrechte een sanctie is opgelegd, omdat het voertuig niet op de openbare weg, maar op eigen terrein stond geparkeerd. De eigenaar heeft op dat terrein een bord gehandicaptenparkeerplaats geplaatst en het staat de eigenaar vrij om dat bord buiten werking te stellen. De betrokkene heeft daar met toestemming van de receptioniste geparkeerd.
3. In het geding is de vraag of de plaats waar het betreffende voertuig zich bevond als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dient te worden aangemerkt, en zodoende of de bepalingen bij of krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn en de verbalisant bevoegd was de onderhavige sanctie op te leggen.
4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) moet onder "wegen" worden verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.”
5. De verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt voor zover hier van belang in dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats op een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
6. Niet in geding is dat de betreffende parkeerplaats behoort bij de daar gelegen horecagelegenheid. Beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is echter de vraag of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1997, LJN ZD0686 gepubliceerd in VR 1998, 2).
7. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd, feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Anders dan de gemachtigde meent, doet hieraan niet af dat deze plaats eigen terrein is. Gesteld noch gebleken is dat de rechthebbende zich op kenbare wijze, bijvoorbeeld door de borden "verboden toegang" en "eigen weg", het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494). Het voorgaande in aanmerking genomen moet de plaats waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden.
8. Gelet op de verklaring van de verbalisant, de foto's van de gedraging en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging erkent, staat vast dat de gedraging is verricht.
9. Dat de betrokkene toestemming heeft gekregen van de receptioniste om daar te parkeren, geeft geen aanleiding tot het achterwege laten of matigen van de opgelegde sanctie. Aan die toezegging kon niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat niet handhavend zou worden opgetreden. Alleen de personen die in artikel 82 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn genoemd kunnen aan weggebruikers bindende aanwijzingen geven die prevaleren boven verkeersregels en verkeerstekens. Een receptioniste is daartoe niet bevoegd.
10. De aangevoerde bezwaren treffen geen doel. De beslissing van de kantonrechter wordt dan ook bevestigd.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.