ECLI:NL:GHARL:2018:8634
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Van Schuijlenburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens onjuiste machtiging in verkeersboetezaak
In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een verkeersboetebeslissing niet-ontvankelijk verklaarde. De reden was dat de gemachtigde een onjuiste machtiging had overgelegd, waardoor het verzuim niet adequaat was hersteld.
De gemachtigde, een advocaat, voerde aan dat hem de gelegenheid had moeten worden gegeven om de gebreken aan de volmacht te herstellen en dat het overleggen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel ter zitting in strijd was met het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof oordeelde dat de kantonrechter conform artikel 6:6 Awb Pro voldoende gelegenheid had geboden om het verzuim te herstellen en dat een tweede hersteltermijn niet verplicht is bij een gebrekkige machtiging.
Daarnaast stelde het hof vast dat de overgelegde machtiging niet aantoonde dat de persoon bevoegd was de rechtspersoon te vertegenwoordigen, en dat het overleggen van aanvullende stukken ter zitting niet in strijd was met de procesorde. Het hof concludeerde dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard en wees het verzoek tot kostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een juiste machtiging.