ECLI:NL:GHARL:2018:8945

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 oktober 2018
Publicatiedatum
11 oktober 2018
Zaaknummer
200.229.650
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:247 BWArt. 8 EVRMArt. 9 lid 3 IVRKArt. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op omgang voor biologische vader zonder nauwe persoonlijke betrekking

De zaak betreft het hoger beroep van een biologische vader die een omgangsregeling met zijn kind vordert. De rechtbank had zijn verzoek tot vaststelling van omgang reeds afgewezen. De vader stelt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking en (intended) family life, onderbouwd met zijn aanwezigheid bij de zwangerschap en bevalling en verzorgende taken.

De moeder betwist dit en voert aan dat de relatie vroegtijdig werd verbroken, de vader weinig interesse toonde, het kind slechts enkele keren kort zag zonder verzorging, en dat er geen gezinsvorming heeft plaatsgevonden. Volgens haar was er geen sprake van intended family life.

Het hof sluit zich aan bij de rechtbank en oordeelt dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat of kan ontstaan. De grieven falen en de beschikking wordt bekrachtigd. De vader blijft zonder omgangsrecht, ondanks zijn biologische vaderschap.

Het arrest bevestigt dat het recht op omgang niet automatisch geldt voor de biologische vader zonder erkenning en nauwe persoonlijke band, conform artikel 1:377a BW en artikel 8 EVRM Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep van de biologische vader wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn verzoek tot omgang met het kind wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.229.650
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 435854)
beschikking van 11 oktober 2018
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de verzoeker,
advocaat: mr. A.R. Rens te Den Haag,
en
[verzoekster],
wonende op een onbekend adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.H. Zijlstra te Soest.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 september 2017 (verder: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 december 2017;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 29 juni 2018 met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [naam medewerker] verschenen.

3.De feiten

Uit de affectieve relatie van de moeder en de verzoeker is geboren [naam kind] , geboren op 16 september 2014 te [geboorteplaats] (verder: [naam kind] ). Vast staat dat de verzoeker de biologische vader is van [naam kind] . De verzoeker heeft [naam kind] niet erkend De moeder oefent alleen het gezag uit over [naam kind] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil het recht op omgang van de verzoeker met [naam kind] .
Bij de beschikking van 15 september 2017 is het verzoek van de verzoeker tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.
4.2
De verzoeker is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 september 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De verzoeker vraagt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat er een opbouwende omgangsregeling wordt vastgesteld tussen hem en [naam kind] , waarbij [naam kind] gedurende de eerste drie maanden na de uitspraak van het hof één dag in de week in het weekend (op zondag) van 10.00 uur tot 17.00 uur bij hem zal verblijven en vervolgens gedurende eenmaal per twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur, kosten rechtens.
4.3
De moeder voert verweer en verzoekt het hof om de verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van de verzoeker in de kosten van de procedure.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM Pro en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK Pro en artikel 24 lid 3 Handvest Pro van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW Pro de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.2
Het hof dient allereerst de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep te beoordelen.
5.3
De verzoeker voert aan dat hij [naam kind] wil erkennen en een juridische procedure daartoe overweegt. Er is volgens hem sprake van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) met [naam kind] .
[naam kind] is tijdens de relatie van partijen geboren. De verzoeker is mee geweest naar zwangerschapscontroles, hij was bij de bevalling, en hij kwam na de geboorte vaak bij de moeder op visite. Hij voerde dan ook verzorgende taken uit. De relatie tussen partijen is verbroken toen [naam kind] anderhalf jaar was. Volgens de verzoeker is in ieder geval sprake van 'intended family life'.
5.4
De moeder voert daartegen gemotiveerd verweer. Zij betoogt dat de relatie reeds op een eerder moment is verbroken en dat de verzoeker geen enkele interesse in de zwangerschap heeft getoond. Hij is één keer mee geweest naar de verloskundige en was toevallig aanwezig bij de bevalling. Daarna heeft de verzoeker weken niets van zich laten horen. Hij heeft [naam kind] in totaal vijf keer kort gezien, waarbij hij geen aandacht had voor haar en nooit verzorgende taken heeft verricht. De verzoeker was vooral geïnteresseerd in het contact met de moeder.
De verzoeker wilde [naam kind] niet erkennen en het is nooit zijn bedoeling geweest om een gezin te stichten met de moeder. Verzoeker had al een gezin en woonde samen met zijn partner en hun twee kinderen. De moeder was alleen een minnares.
Er was aldus de moeder ook geen sprake van 'intended family life'.
5.5
Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het hof maakt deze overwegingen tot de zijne.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van zijn standpunten door de moeder had het op de weg van de verzoeker gelegen zijn stellingen (in hoger beroep) nader te onderbouwen. Nu de verzoeker dit heeft nagelaten is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat, naast het biologisch vaderschap, sprake is van bijkomende omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat er tussen hem en [naam kind] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, dan wel dat er een mogelijkheid bestaat dat deze zich ontwikkelt, maar dat deze band door omstandigheden - die niet aan de verzoeker te wijten zijn - niet tot stand is gekomen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven van de verzoeker. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
15 september 2017.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, A. Smeeïng-van Hees en H. Phaff en is op 11 oktober 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.