Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: betrokkene,
1.[de bewindvoerder] ,
[de dochter van betrokkene],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Betrokkene, geboren in 1962, is onder bewind gesteld wegens verkwisting en problematische schulden. De kantonrechter had een bewind ingesteld en een bewindvoerder benoemd. Betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht primair vernietiging en afwijzing van het verzoek, subsidiair opheffing van het bewind.
Het hof overwoog dat betrokkene het verzoek tot bewind en een informatief formulier had ondertekend, en dat er sprake was van een forse schuldenlast van circa €30.000. Betrokkene stelde dat hij onvoldoende was voorgelicht en dat budgetbeheer afdoende zou zijn. Het hof vond dat budgetbeheer vanwege de korte duur (start 14 september 2017) nog geen kans had gekregen, en dat het bewind niet passend was omdat niet was gebleken dat een minder verstrekkende maatregel ontoereikend was.
Daarnaast werd meegewogen dat betrokkene niet door de kantonrechter was gehoord, wat afweek van de aanbevelingen van het LOVCK. De enkele verklaring van de bewindvoerder was onvoldoende om het bewind te handhaven. Het hof vernietigde daarom de beschikking en wees het verzoek tot onderbewindstelling af. De taken van de bewindvoerder eindigen daags na deze uitspraak, maar reeds verrichte handelingen blijven geldig.
Tot slot oordeelde het hof dat betrokkene onvoldoende had gesteld omtrent de jaarbeloning van de bewindvoerder, zodat die beslissing ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking tot onderbewindstelling en wijst het verzoek van betrokkene af.