ECLI:NL:GHARL:2018:9063

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 oktober 2018
Publicatiedatum
16 oktober 2018
Zaaknummer
WAHV 200.206.490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 13 lid 2 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor niet dragen autogordel verworpen

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €140 wegens het niet dragen van een autogordel op 12 mei 2016 in 's-Gravenhage. De betrokkene stelde beroep in tegen deze sanctie, stellende dat hij de gordel bewust niet droeg om beter overzicht te houden over voetgangers en fietsers. De kantonrechter verwierp dit beroep en matigde de sanctie niet.

In hoger beroep heeft het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter bevestigd. Het hof oordeelde dat de verplichting tot het dragen van een gordel een absoluut verbod betreft en dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om de sanctie te matigen of te laten vervallen. Tevens werd vastgesteld dat de gedraging was begaan.

Daarnaast werd het verzoek tot proceskostenvergoeding besproken. De gemachtigde van betrokkene was niet tijdig aanwezig bij de zitting vanwege file en uitloop van eerdere zittingen, maar had geen tijdig verzoek tot aanhouding gedaan. Het hof oordeelde dat dit geen grond is voor het toekennen van een punt voor verschijnen ter zitting en wees het verzoek tot vergoeding af.

Het arrest bevestigt daarmee de sanctie en wijst het verzoek tot kostenvergoeding af, waarbij het beginsel van hoor en wederhoor en de procedurele regels werden gerespecteerd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

WAHV 200.206.490
16 oktober 2018
CJIB 198221809
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 6 december 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 124,-.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 140,- opgelegd ter zake van “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”, welke gedraging zou zijn verricht op 12 mei 2016 om 16:56 uur op de Binckhorstlaan te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter geen enkele rekening heeft gehouden met de aangedragen feiten. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De gemachtigde heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene zijn gordel niet draagt omdat hij dan zoveel mogelijk bewegingsvrijheid heeft om alles te overzien wat betreft voetgangers en fietsers. Zodra hij het fietspad afkomt, stopt hij meteen om zijn gordel om te doen.
3. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in zijn beslissing de aangevoerde beroepsgronden heeft besproken en verworpen. Hij heeft hiertoe overwogen dat hij de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging plaatsvond niet van dien aard acht dat tot matiging van de opgelegde sanctie zou dienen te worden overgegaan. Dat daarbij niet uitdrukkelijk en expliciet op ieder onderdeel van het beroepschrift is ingegaan, maakt deze motivering niet ontoereikend. Artikel 13, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften eist slechts dat de beslissing van de kantonrechter met redenen is omkleed. Dat is hier het geval.
4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde de gedraging erkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
5. De verplichting om een autogordel betreft - behoudens enkele uitzonderingen die in deze zaak niet van toepassing zijn - een absoluut verbod. Het staat de individuele weggebruiker niet vrij om naar eigen inzicht daarvan af te wijken. Het is het hof bovendien niet aannemelijk geworden dat de betreffende verkeerssituatie ten tijde van de gedraging dermate onoverzichtelijk was dat van de betrokkene niet kon worden verwacht dat hij de gordel droeg. Dat de betrokkene zijn gordel niet droeg omdat hij dan zoveel mogelijk bewegingsvrijheid had om de betreffende verkeerssituatie ter plaatse te overzien, vormt daarom geen reden de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
6. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.
7. Ten aanzien van de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding overweegt het hof als volgt. De gemachtigde is van mening dat de kantonrechter ook een punt had moeten toekennen voor het bijwonen van de zitting. Hij was weliswaar niet aanwezig op de zitting op 6 december om 11.35 uur, maar de reden hiervan is dat hij door filevorming en eerdere zittingen in Leiden niet tijdig aanwezig kon zijn. De gemachtigde heeft hierover telefonisch contact opgenomen met de rechtbank Den Haag en gevraagd of de zitting iets uitgesteld kon worden. Er zou rekening worden gehouden met het feit dat de gemachtigde iets later zou komen. Ook zou de gemachtigde hebben verzocht om de zaak aan te houden tot een andere dag indien de gemachtigde niet voor 12.00 uur aanwezig zou zijn. Dit is genoteerd en doorgegeven aan de griffie, aldus de gemachtigde. Toen de gemachtigde vervolgens om 12.00 uur aankwam bij de griffie van de rechtbank Den Haag wist men van niets. De zitting was inmiddels geweest.
8. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht geen punt heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting. De gemachtigde is immers niet ter zitting verschenen. Het standpunt van de gemachtigde dat er desondanks een punt dient te worden toegekend, nu filevorming en uitloop van eerdere zittingen elders de redenen zijn dat de gemachtigde niet tijdig ter zitting is verschenen, vindt geen steun in het recht. Indien een gemachtigde door onvoorziene omstandigheden niet tijdig ter zitting kan verschijnen en tijdig verzoekt om aanhouding - hetgeen overigens in het onderhavige geval niet is gebleken - en de kantonrechter desondanks de zitting doorgang laat vinden, kan dit schending van het beginsel van hoor en wederhoor opleveren.
In dat geval zal een gemachtigde opnieuw dienen te worden opgeroepen voor een zitting. Dit kan voor wat de proceskostenvergoeding betreft echter niet leiden tot het toekennen van een punt voor het verschijnen ter zitting zoals de gemachtigde stelt.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.