ECLI:NL:GHARL:2018:9222

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 oktober 2018
Publicatiedatum
23 oktober 2018
Zaaknummer
200.195.312/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over bewijs contante betaling na aanvullend getuigenverhoor

In deze civiele zaak stond centraal of een contante betaling door geïntimeerde was verricht. Het hof verwees naar een eerder arrest van 13 maart 2018 waarin werd geoordeeld dat geïntimeerde het bewijs van betaling had geleverd, maar dat dit oordeel kon wijzigen indien appellant aanvullend tegenbewijs zou leveren.

Appellant stelde dat de getuige [C] bij de kantonrechter onwaarheden had verklaard, onder meer omdat zij volgens haar LinkedIn-profiel pas na de datum van betaling in dienst was getreden en omdat zij mogelijk een valse verklaring had afgelegd. Het hof stelde appellant in de gelegenheid om deze getuige te horen.

De getuige verklaarde dat zij vanaf januari 2013 op vrijwillige basis werkte bij geïntimeerde en vanaf mei 2013 in dienst trad. Zij ontkende dat haar geld was beloofd voor een valse verklaring en lichtte haar werkzaamheden en de datum op de factuur toe. Het hof achtte haar verklaring betrouwbaar en zag geen reden om aan het bewijs van betaling te twijfelen.

Het hof maakte definitief het oordeel dat geïntimeerde de contante betaling had bewezen en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de contante betaling is bewezen en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.195.312/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4219364\CV EXPL 15-4596)
arrest van 23 oktober 2018
in de zaak van
[appellant] h.o.d.n. Autohandel [appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna:
[appellant] ,
advocaat: mr. H.J. Berends, kantoorhoudend te Assen,
tegen
[geïntimeerde] h.o.d.n. Autobedrijf 't Loo,
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna:
[geïntimeerde] ,
advocaat: mr. P.P.J.T.M. Seelen, kantoorhoudend te Vriezenveen.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van de procedure tot 13 maart 2018 verwijst het hof naar het arrest dat op die datum is gewezen. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 27 september 2018 een getuigenverhoor aan de zijde van [appellant] plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Aansluitend hebben partijen opnieuw arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling

2.1
In het arrest van 13 maart 2018 heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde] het bewijs van de door hem gestelde betaling heeft geleverd maar dat dit oordeel kan wijzigen indien [appellant] aanvullend tegenbewijs levert. Volgens [appellant] heeft getuige [C] bij de kantonrechter in strijd met de waarheid verklaard. Dit zou blijken uit het feit dat zij volgens haar LinkedIn-profiel pas vanaf 1 mei 2013 bij [geïntimeerde] in dienst was, waardoor zij geen getuige kan zijn geweest van de betaling op 23 april 2013, en uit het feit dat [appellant] 'via via' heeft vernomen dat [C] geld is beloofd om een valse verklaring af te leggen. Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld op deze punten aanvullend tegenbewijs te leveren door het laten horen van [C] als getuige.
2.2
[C] heeft, samengevat, het navolgende verklaard. Zij is in januari 2013 op vrijwillige basis bij [geïntimeerde] gaan werken op dinsdagen en vrijdagen. De andere dagen van de werkweek werkte zij bij Union Hechttechniek. In mei 2013 is zij bij [geïntimeerde] in dienst getreden. Zij ontkent stellig dat haar geld is beloofd voor het afleggen van een valse verklaring. Verder heeft zij nog toegelicht hoe ze de boekhouding deed bij [geïntimeerde] en hoe zij heeft gehandeld met de factuur waarop ze de datum 23 april 2013 heeft vermeld. Het hof ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Ook ziet het hof niet in hoe die verklaring afbreuk kan doen aan het bewijs. In tegendeel: [C] heeft verklaard dat zij blijft bij haar eerdere verklaring. Het hof merkt nog op dat 23 april 2013 op een dinsdag viel, dus een dag van de week waarop [C] naar haar zeggen voor [geïntimeerde] werkzaam was. De verklaring van [C] levert dan ook geen aanvullend tegenbewijs op. Dit betekent dat het hof definitief tot zijn oordeel maakt dat [geïntimeerde] de door hem gestelde contante betaling heeft bewezen. Op die constatering strandt de, enige, grief van [appellant] .
2.3
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze worden aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden vastgesteld op € 718,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.685,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (2,5 punten in tarief II).

3.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 10 mei 2016, waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 718,- aan verschotten en € 2.685,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.M.A. Wind en mr. G.T. De Jong en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 oktober 2018.