Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[verzoeker],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren Bosch, Breemhaar en Zandbergen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, stellende dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid jegens hem. De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat het verzoek deels niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend voor feiten en omstandigheden die dateren van vóór 3 oktober 2017.
De wrakingskamer overwoog dat wraking geen verkapt rechtsmiddel mag zijn tegen onwelgevallige rechterlijke beslissingen en dat de rechter geacht wordt onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden anders aantonen. De kamer concludeerde dat uit de motivering van de beslissingen van het hof geen aanwijzingen kunnen worden afgeleid dat de raadsheren vooringenomen zijn of dat die schijn redelijkerwijs is gewekt.
Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat hij pas na het lezen van het arrest van 3 oktober 2017 besefte dat sprake zou zijn van stelselmatige vooringenomenheid, maar dit werd door de kamer niet als voldoende gegrond beschouwd. De raadsheren hebben niet in de wraking berust en waren niet aanwezig bij de zitting van de wrakingskamer.
De wrakingskamer heeft het verzoek daarom afgewezen en verzoeker deels niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is openbaar uitgesproken en ondertekend door de voorzitter van de wrakingskamer.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.